donderdag 15 november 2018

Rubens in Rotterdam en Maria in de Janskerk

 en Het museum Boymans van Beuningen in Rotterdam gaat zo'n zeven jaar langdicht, maar pakt nu nog even mooi uit met een tentoonstelling over de werkwijze van PP Rubens. Rubens was dé schilder van de contrareformatie. In 1585 had in Antwerpen de beeldenstorm vreselijk huisgehouden. De contrareformatie was tegen 1620 goed op stoom gekomen. Rubens (1577-1640) was goed in groot werk: de Nachtwacht is een supergroot werk van Rembrandt (1606-1669), maar Rubens deed gemakkelijk hele plafonds van 100m2 of meer. Zijn eerste grote opdracht waren werken voor het plafond van een Jezuïetenkerk in 1620. Daarna zat hij nooit zonder werk voor een atelier waar een 20-30 mensen werkten.
Rubens maakte soms getekende, maar meestal in olieverf geschilderde ontwerpen. Die konden klein zijn, maar ook wel enkele vierkante meters groot. Hij bewaarde ze zorgvuldig. Na zijn dood kwamen ze wel in de handel, maar er zijn er nog zo'n 250 van bewaard. Een zestigtal hangen nu in het Boymans van Beuningen.
De Reformatie was vanwege het 2e gebod tegen beelden en ook wel tegen schilderijen. Dat komt vanwege het gevaar van afgoderij. Wellicht ook wel gevaar van afleiding, of een opgedrongeninterpretatie. Sola scripture en zo is de Dom, Janskerk en de Protestante kerken van Utrecht kaal wit. De afbeeldingen zijn niet alleen de 'Bijbel van de armen', zij zijn ook dé interpretatie van hun tijd. Een krachtige én menselijke god komen we tegen bij Rubens, vurige heiligen, vol emoties en beweging.


Bij de besnijdenis van Jezus (boven) kijkende vrouwen angstig weg, terwijl de rabbijn toegewijd en nauwkeurig zijn werk doet en Jezus een vrolijke baby lijkt. Nicodemus is bij de graflegging van Jezus een praktisch man: een hek van de lijkwade houdt hij in de mond vast omdat hij de handen aan beide kanten nodig heeft om Jezus netjes in het graf te leggen. Jozef van Arimethea is boven ook goed bezig, terwijl de anderen door emotie te veel getroffen zijn om effectief te werken, De annuntiatie (onder) is ook een dramatisch spel met een angstige Maria eneen glorievolle Gabriël, diekomt aanvliegen.
In het museum werd een en ander nog opgeleukt door ballet van Scapino.
In de kale Janskerk is momenteel een Maria-project aan de gang. Teunis Hol maakt foto's van mensen die daar bij de kerkgangers horen en een aantal van die prachtige foto's worden opgehangen in het priesterkoor. Toch een beetje contra-reformatie inde Janskerk, eeuwen na de alteratie van 1579. De hele serie zal uit ruim 50 foto's bestaan, allemaal ter illustratie en interpretatie van de Maria-litanie.


Nobelprijs literatuur voor Kader Abdolah?

Kader Abdolah heeft na het kleine pareltje, Het Gordijn, nu weer een groot episch verhaal aan zijn oeuvre toegevoegd: Het pad van de gele slippers. Het is grotendeels het verhaal van de oom, filmmaker,  die ook al figureert in Het Huis van de Moskee. In een serie korte hoofdstukken komt een ik-persoon voor die papiertjes van snoepjes spaart, 5000 in totaal en daarvoor een camera krijgt en zich zo ontwikkelt tot fotograaf, later via de kunstacademie in Teheran zelfs tot cameraman en regisseur van filmen. Dit speelt zich af tegen de achtergrond van de tijd van de Sjah die werkt aan zijn kroning, en zo het pre-islamitische wereldrijk van Cyrus opnieuw op de wereldkaart wil zetten. De filmmaker heeft via een van zijn sterren een contact met linkse tegenstanders van de Sjah, maar ook een ontmoeting met zijn vrouw Farah Dibah. Uiteindelijk loopt dit uit op zijn medewerking aan de ontvoering van Farah Dibah om zo zeven linkse activisten vrij te krijgen. Maar de filmmaker wordt toch gepakt, zit tien jaar in de gevangenis tot Ayatollah Khomeini komt om de erfenis van de Sjah te vervangen voor een islamistische terreur. Alle film wordt dan verboden (al mag hij nog wel een documentaire over de Ayatollah en de Iraaks-Iraanse oorlog maken. Uiteindelijk komt hij in Nederland terecht.
De gele slippers worden door de filmmaker gemaakt voor drie vrouwen: een filmster, waar hij zijn eerste seks mee heeft, een jonge vrouw waarmee hij wil trouwen, maar die in een gearrangeerd huwelijk met een imam verdwijnt, tenslotte voor Farah Dibah tijdens de aanvankelijk geslaagde gijzelingsactie.
Het boek vermeldt de politieke en sociale omwentelingen op de achtergrond, fleurt het verhaal vooral in het begin op met djinn (een soort kabouters; hulp-engelen), fragmenten van de Koran, van Perzische dichters. Maar de Nederlandse achtergrond (hardlopen rond het Delftse Hout, Nootdorp, Pijnacker) is ook steeds wel ergens aanwezig, want daar is het verhaal uiteindelijk geschreven.
Op blz. 246  komt soera 100 in de tekst binnen. Ik neem hier mijn eigen vertaling, die het rijmschema van het Arabisch volgt:
Bij de snuivende paarden
hun vonken slaande op de aarde
bij dageraad opgejaagd
de aarde in stof vervaagd
breken zij door het kordon der zwaarden

De mens is God vergeten
en hij wil het zelf ook nog weten
hij is van bezit bezeten

Denkt hij er niet aan hoe de graven worden opengeploegd?
En ieders geweten wordt geproefd?
Hun Heer laat het die dag zeker niet afweten!

Abdolah gebruikt hier vooral de beelden van de eerste regels om de afschrikwekkende situatie van de politieke omwentelingen van zijn verhaal en vooral de aanval van Saddam Hoesein op Iran te illustreren. De aanklacht tegen de rijken van de regels 6-9 en de apocalyptische dreiging van 10-12 laat hij achterwege.
Naast de boeken over de 19e eeuwse reizen van de Sjah en de schildering van het Iran van de 20e eeuw vooral in Het Huis van de Moskee en dit nieuwe prachtige boek, schreef Abdolah over Iran wat Pramoedya Ananta Toer voor Indonesië deed: eenliterair monument van eenland over meer dan een eeuw schrijven.
Met boeken als dit heeft Abdolah een oeuvre van gelijke omvang en belang geschreven als dat van José Saramago, de Portugees die de Nobelprijs kreeg. Er is geprobeerd om dat voor Pramoedya ook zo te bereiken, maar zonder succes. Wie weet lukt het nog voor Abdolah wel, ooit.