donderdag 29 juli 2021

De twee kardinalen van 2021: Willem van Rossum

 Onlangs verschenen er biografieën van twee kardinalen: Willem van Rossum (1854-1932) en Jo Willebrands (1909-2006). Alleen al de cover van de twee boeken zijn tekenend voor de mannen: van pauselijke figuur tot een soort burgerman, trots tot bescheidenheid, grote ambities tot goedlachse tevredenheid bij wat wel en niet lukte.


Vandaag eerst maar Van Rossum. Op 9-jarige leeftijd kwam hij in een katholiek weeshuis in Zwolle waar hij als speelgoed priesterkleren kreeg, zodat hij de mis kon opdragen. A;s 13-jarige ging hij naar zijn tweede katholieke bubbel: een door Jezuïeten geleid klein-seminarie als middelbare school in Culemborg. In 1873 begon hij als 19-jarige aan zijn 3e bubbel in het streng katholieke klimaat van die tijd: de opleiding tot Redemptorist en priester in Roermond en Wittem. Na de priesterwijding in 1880 ging hij niet naar de parochies waar de Redemptoristen hun missies van preken en biecht hielden, maar terug naar Roermond als docent, op niveau van middelbaar onderwijs. Dan weer in 1883 terug naar het klooster in Wittem als docent op de theologische opleiding. Hij moest daar vooral werken aan een boek over systematische theologie (dus vooral triniteit, God als Schepper, Jezus als God en mens, de Heilige Geest), naast het handboek Theologia moralis, de ethiek van Joseph Aertnijs (1e druk 1886-7), die in mijn studententijd theologie nog in de collegezaal van Valkenburg (halverwege de Cauberg) stond groot aantal van ca. 40: als er een plotselinge inspectie vanuit 'Rome' zou komen moesten die boeken bewijzen dat daar toch nog de traditionele katholieke leer, vooral over seksualiteit werd onderwezen. De stichter van de Redemptoristen, Alfonsus de Liguori werd vooral gezien als een man die praktische richtlijnen voor ethisch handelen gaf, eerlijker dan de Jezuïeten die met trucjes (en nadruk op goede bedoelingen) kwade handelingen toch nog wilden goedpraten. Aan Van Rossum de taak om Alfonsus ook een ereplaats te geven naast Thomas Aquinas, de grote inspirator voor de officiële katholieke theologie eind 19e, begin 20e eeuw. (zie alhier 83-5). Een eerste werk publiceerde hij al in 1885 over de leer van Alfonsus over de vraag of zonder de erfzonde Gods Woord toch ook mensen geworden zou zijn? Was er dan nog een noodzaak voor de incarnatie? In 1890 kwam er nog een publicatie over de schepping van de wereld in zes dagen, waar Alfonsus en ook Van Rossum zich strikt hielden aan zes dagen van 24 uur, dus tegen het opkomende modernisme, die er ook wel periode in wilden zien. Van Rossum was niet alleen docent en bescheiden schrijver, hij werd rector van het klooster en bouwde die fantastische bibliotheek, waarvan je je afvraagt of de muren de boeken wel kunnen dragen!

Kloosterbibliotheek Wittem, gebouwd onder rector Van Rossum

In 1894-5 kwam er een eigenaardig conflict in de orde der Redemptoristen, over kloosterdiscipline. Deze concentreerde zich op de vraag of in uitzonderlijke gevallen leden mochten roken (zoals voor Fransen wijn aan tafel, en af en toe cognac tot de in feite wel toegestane dranken hoorden). Van Rossum was van de harde lijn, roken mocht niet en in het debat hierover werd gezocht naar wegen om hem weg te promoveren. Brazilië kwam in de picture, alhoewel hij nooit enige belangstelling had getoond voor het werk in de overzeese missie (115). Het werd Rome! Als 41-jarige begon hij daar in 1895 een nieuw leven. Hij had daar aanvankelijk geen duidelijke positie, maar na een jaar kreeg hij de opdracht om een advies aan het Heilig Officie in te dienen betreffende een standpunt van Alfonsus de Liguori inzake verschillende vormen van mystiek: van rustige meditatie tot druk spreken in tongen. Dit viel in zo goede aarde dat hij benoemd werd tot consultor bij het H. Officie. Dat was een in feite onbetaalde deeltijdpositie, soort zzper, maar de ijverige en ambitieuze Van Rossum trok veel werk naar zich toe en voorlopig bleef hij in het Redemptoristeklooster wonen. Aanvankelijk als een van de twintig consultoren, maar vanaf 1913 in de hogere functie van lid van het H. Officie, heeft hij de wekelijkse zittingen van het H. Officie bijgewoond van 1897 tot zijn dood in 1932 (pp. 151-2). Daarbij bleef het niet. Voor mij was het meest verrassende stuk van de stuk van de biografie van 733 bladzijden hoe iemand van een bescheiden positie kon opklimmen tot allerlei andere functies en uiteindelijk tot de bijna absolute top: uiteindelijk werd Prefect van de Congregatie van de Propaganda Fide en kardinaal. De titel verwijst daarnaar: Rood staat voor de kardinaal, Rode Paus na de echte (witte) Paus en de zwarte paus, de zeer invloedrijke generale overste van de Jezuïeten die ook vlak bij het Vaticaan woont.

Een curiekardenaal (die dus geen lokaal bisdom bestuurt) moet aan het hoofd staan van een afdeling van het Vaticaan. Van Rossum werd vooral gekozen vanwege zijn talenkennis: Frans, maar vooral: Engels en Duits waren zeldzaam in het Vaticaan. Zelfs de huidige Paus Franciscus kan zich moeizaam in het Engels uiten.

Vanuit de algemene missiegeschiedenis zijn er enkele opmerkingen te maken over de zaken die Van Rossum in zijn belangrijkste functie  aan het Vaticaan meemaakte. Allereerst over China. Vefie Poels vermeldt enkele keren als een van de grootste successen dat in 1926 zes Chinese priesters bisschop waren gewijd.Dat waren goed opgeleide, vlot Latijns sprekende priesters, die mooi werk verrichten in de stijl van de nieuwe China-missie die Frankrijk had afgedwongen in 1844, maar toch wel heel wat andere figuren dan de stijl van de eerste China-missie van Matteo Ricci c.s.: dat waren Jezuïeten die een functie kregen aan het keizerlijke hof doordat zij westerse natuurwetenschappen inbrachten, betere klokken, berekeningen van zonsverduisteringen. De 19e eeuwse missie werd afgedwongen in oorlogen die gevoerd werden om opium en andere westerse handelswaar in China te verkopen. Terwijl Ricci probeerde om via zijn Chinese kleding, en vooral enkele aparte wetenschappen respect te krijgen bij het keizerlijk paleis, begon de 19e eeuw missie vooral bij zorg voor weeskinderen, opbouw van onderaf. Het doel was een afdeling van de wereldwijde kerk van Rome. De debatten over respect voor Confucius, en huisaltaren waar ceremonies ter ere van de voorouders werden gehouden, bekend als de ritenstrijd waren in 1742 geëindigd met een absoluut verbod vanuit Rome, zelfs met een ban op verder debat hierover. Pas in 1939 stemde Pius XII in met bepaalde huisceremonies ter ere van de voorouders. Maar dat is na de dood van Van Rossum en Pis XI. 

Van Rossum stond voor een krachtige kerk, onafhankelijk van een bepaalde natie of cultuur. Missionarissen zouden gestuurd moeten worden door de Propaganda Fide. Dit was in de praktijk moeilijk te verwezenlijken. In 1844 hadden de Fransen bij het verdrag van Wampoa niet alleen vrijheid van missionering, kerkenbouw en katholieke scholen bedongen, maar ook voor zichzelf de exclusieve rechten van bescherming van de christenen, het protectoraat. Op basis daarvan hielden de Fransen zelfs de komst van een Vaticaanse nuntius naar Peking tegen.

Van Rossum en de pausen onder wie hij diende hebben Frankrijk wel weer geprezen voor wat het in China deed, ook al heette de band tussen missie en koloniaal imperialisme een pestis teterrima, een verfoeilijke pest. 

Toen ik in 2009 in Lyon lid van een examencommissie was voor een dissertatie over de priesteropleiding voor Oost-Azië, kwam het gesprek met de Fransen al snel op een van de blijvende pijnpunten, waar Vefie Poels haar uitgebreide 15e hoofdstuk aan wijdt 46 bladzijden, 371-417). In 1822 was een jonge Française, Pauline Jaricot, in Lyon begonnen met het Werk voor de Voortplanting van het Geloof, Oeuvre de la Propagation de la Foi: dagelijkse gebeden, een tijdschrift en geldinzameling ten bate van de missies buiten Europa. Het werd een ongekend groot succes. Later volgde het werk voor de 'Kindsheid', speciaal voor vrijkoop (of 'aankoop'? ) van Chinese kinderen. Van Rossum nam in 1919 het initiatief om dit succesvolle lekeninitiatief, dat al bijna een eeuw zeer goed werkte, onder beheer van de clerus en vooral van de Propaganda Fide te brengen. Onder het mom van centrale leiding door een universeel instituut, werd begonnen aan wat Poels een 'moeizame weg van de voortplanting des geloofs naar Rome' noemt. Er zaten allerlei problemen bij: ook aan Amerikaan se kant waren er tegenstemmen, de Duitsers deden liever al helemaal niet mee, maar na vijf jaar was het toch beklonken. Het hoofdstuk is een mooi voorbeeld van de koppigheid, maar ook subtiele onderhandelingsstrategieën van de Nederlandse kardinaal. 

Van Rossum had geen buiten-Europese ervaring, zijn eigen missiedromen gingen eigenlijk vooral over het Lutherse deel van Europa, Duitsland, maar vooral de Scandinavische landen en Ijsland, toen ook gezien als missiegebieden, zoals Nederlamd het tot 1853 was: zonder eigen bisschoppen. Grote kerken en prachtige liturgieën zouden wel werken, hoopte hij, maar initiatieven daar bleven praktisch zonder effect.

In de moslimwereld had hij ook weinig te zoeken. Bij zijn plannen voor de overname van het Franse  'Werk voor de Voortplanting van het geloof' was geen geld  voorzien voor de geünieerde kerken van Oekraïne, Bulgarije, Rusland, evenmin als in Syrië en Egypte. Pijnlijk voor hem was het dat kort na de inlijving van de grote Franse geldmachine, zijn tweede man, Angelo Roncalli, overgeplaatst werd als nuntius naar Bulgarije en dat er binnen het Vaticaan een aparte afdeling werd opgericht voor de Oosterse Kerken. En dan te beseffen dat deze Roncalli later Paus Johannes XXIII werd, die van het Vaticaans concilie. Deze affaire biedt een mooie beeld van geschuif, lobby en gedoe binnen de Romeinse curie! 

Op p.326  schrijft Poels dat van Rossum de 'tekenen des tijds verstond. Hij trok de conclusie dat dekolonisatie slechts een kwestie van tijd was en dat de katholieke kerk daarop moest worden voorbereid door het verbreken van de band tussen missie en koloniale politiek.'  Zij heeft gelijk dat  Van Rossum missionaire activiteiten in Rome versterkte, zoals het Collegio Urbano voor de priesteropleiding, de wereldmissietentoonstelling van 1925 en meerdere activiteiten. Maar concrete visie op inzakken van het koloniale imperialisme zie ik bij hem minder, dan een wereldvisie, waarin alles van het leven allereerst gericht zou moeten zijn op kerkelijke zaken: de bubbel waarin hij werd opgevoed, bleef in stand ook in zijn  Romeinse jaren. Van een visie op de instorting van het kolonialisme heb ik weinig gezien, zeker niet over de opvolgende onafhankelijke regeringen die daarop zouden moeten volgen! De Nederlandse Dominicaan B. Gijlswijk was door Van Rossum aangesteld voor zuidelijk Afrika en wordt als zodanig vermeld op blz. 306 en 478. Ik kwam Gijlswijk ook tegen bij de eerste landelijk bijeenkomst voor 'Kerkvoogden' in Nederlands Indië in 1925. De term kerkvoogden dient hier voor de reguliere missieoversten én de apostolische prefecten en vicarissen samen (de laatsten in feite overal van dezelfde kloosterorde als de reguliere missieoversten). Die bijeenkomst uit 1925 begon met een bezoek aan de Gouverneur Generaal in Buitenzorg. In zijn openingsspeech noemde Gijlswijk als een van de grote problemen voor de toekomst van de missie het 'nationaliteitsgevoel der inlanders'. Tegenover deze afgevaardigde van Rome vroegen de kerkvoogden uiteraard om meer geld via Propaganda Fide en andere Pauselijke Missiewerken. Maar zij wisten ook zeer wel, dat naast de rechtstreekse giften van hun landen van herkomst, juist de koloniale regering een of wellicht zelfs de grootste financiële ondersteuner van de missie was: een aanzienlijk aantal priesters werd als geestelijke gesalarieerd, in de delen van het land waar het onderwijs aan missie en zending was toevertrouwd, werd dat ook door de koloniale regering gefinancierd,inclusief de salarissen voor missionarissen die als 'beschavingssubsidie' of onderwijsinspectie werden gegeven. Er werd over deze conferentie uitvoerig naar Rome gerapporteerd, in Nederlands en Frans. Daar kwam geen inhoudelijke reactie op. Toen de Apostolisch Vicaris van Batavia daarop  zijn verbazing uitte aan Gijlswijk, schreef hij, dat zolang de kerkvoogden 'eendrachtige samenwerking' vertoonden, deze reactie in het algemeen 'zeer schaars en dan nog bondig zijn'.  (Catholics in Indonesia, vol 2:14-15). Rechtstreekse sturing van lokale missiegebieden waren niet algemeen. Ik heb in mijn onderzoek naar de katholieke missiegeschiedenis van Indonesië voor de periode 1808-2010 nauwelijks van Vaticaanse documenten gebruik gemaakt, maar veel van koloniale ambtenaren, naast interne documenten van de katholieke missie. Ook de conclusie op blz. 491 dat 'de 20e eeuwse missie een goed georganiseerd bedrijf werd dat steeds meer onder regie van de Propaganda Fide kwam te staan', blijf hierbij betwistbaar. Ook kunnen we ons afvragen wat 'nationalistisch'beekent in de er op volgende zin: 'Nationalistische doelen werden zoveel mogelijk aan banden gelegd.' Dan gaat het hier zeker niet over anti-koloniaal nationalisme.Voor zover in bijna alle gevallen onderwijs en ziekenzorg belangrijke peilers voor de missie waren, vielen de koloniaal-nationale belangen wel samen met die van de missie.

De laatste jaren zijn er publicaties verschenen over Vaticaanse schandalen: financieel, het Vaticaan zou een concentratie van homo-prelaten zijn, die weer tegen homoseksualiteit strijden en dan een continue machtsstrijd tussen 'progressieve en conservatieve' prelaten. Dit komen we af en toe hier ook wel tegen, maar incidenteel slechts. Een zeer curieus schandaal betreft de secretaris van Van Rossum, J.M. Drehmanns, die hem van 1912 tot 1930 ondersteunde. Hij had ook eigen plannen voor de stichting van twee kloosterordes, een mannelijke en een vrouwelijke tak. Hij had uiteindelijk vooral als doel om zo zelf heilig te worden verklaard, want dat gebeurde het snelst als je een nieuwe kloosterorde na zou laten. Het verhaal hierover is bijna komisch en wordt in delen verteld (536-540; 547-557) Uiteindelijk leidde dit tot verbanning van Drehmanns uit Rome. Maar hij weet in 1950 toch nog acht bruiden van Christus mee te nemen naar Brazilië, waar hij over waakte tot zijn dood in 1959. Zo staat dit boek vol met prachtige anekdotes over die wondere wereld die het Vaticaan heet, nuchter en toch met gevoel voor dramatiek genoteerd.


vrijdag 16 juli 2021

Nog wat meer Begrip

 Eerder deze week schreef ik al over het mooie werk van Piet Reesink om alle nummers van Begrip op een goed toegankelijke site te zetten. Daarom hierbij nog enkele leuke tekeningen van Frans Kalb. De eerste is naar aanleiding van een van de mislukte pogingen om tot een Islamitische Omroep te komen. De moslims zijn in Nederland te verdeeld: naar landen van herkomst en dan nog eens volgens de scheidslijnen die er in die landen al zijn: nationalistisch, orthodox, liberaal en nog meer. Toch was er in 1992 een islamitische omroep. Begin dat jaar was er een programma over en tegen het geloof in de 15e sja'ban. Sja'ban is de maand voorafgaand aan Ramadan.In de nacht van de 15e zou er geschud worden aan de geheimzinnige boom van Koran 53:14, Sidratul muntaha, op de grens tussen het woongebied van de mensen en dat van God en de engelen, het paradijs dus. Op die kolossale boom zouden de namen van alle mensen staan. Die boom zou in die nacht geschud worden en blaadjes die vallen duiden op de mensen die komend jaar gaan sterven. Dus wordt er stevig gebeden die nacht. De Koran spreekt alleen over een boom, niet over dat schudden. Modernistische moslims wijzen dat bijgeloof dus af en ook de NMO, Nederlandse Moslimomroep (of heette het toen toch anders). Frans Kalb laat het toch mooi schudden.

In no 127 zien we een artikel van Sajida Abdus Satar, een van de weinig moslims die in die tijd in het tijdschrift schreven. Zij schreef over bekering, en ging er van uit dat de islam net als het jodendom niet zo (agressief) missionair is als de christenen wel zijn. Zeker christenen worden gewaardeerd en mogen in  hun religie blijven. Daar kwamen twee tekeningen uit: derwisj-dansende moslims en op klompen Volendammer-achtige Nederlanders bijeen! Vindplaats: www.archiefbegripmoslimschristenen.
Onder de moslim auteurs was de meest actieve zeker Ester Struikmans met 15 bijdragen vanaf 2005.Sajidah Abdus Sattar verzorgde er 3. AlperAlasag schreef 4x; Abdulwahid vanBommel 2x, Bunjamin Düran (van de IURin Rotterdam) ook 2x, zo ook Caylan Pektas Weber. We zagen eenmaal Arslan Karagül, Farida van Bommel, Miriam Ates-Snijdewind en nog enkeleanderen. Een mooi groepje van moslims die goed en graag schreven.


zondag 11 juli 2021

De begrafenis of herleving van BEGRIP?

Begrip Moslims Christenen was een tijdschrift tussen 1974-2016. In principe kwam het vijfmaal per jaar uit, zo'n 40 bladzijden per keer. Het werd uitgegeven door de katholieke en protestante 'contactpersonen met moslims'. In feite was er een soort werkverdeling: protestanten organiseerden studiedagen of ontmoetingsdagen, katholieken runden het tijdschrift. Dat gebeurde vanuit de Stichting Cura Migratorum, aanvankelijk een ondersteunende organisatie voor Spaanse en Italiaanse katholieken, vanaf de jaren 1950-60. Toen die vervangen werden door Turken en Marokaanse gastarbeiders, werd de aandacht dus verlegd. Er was rond die tijd het Franstalige Comprendre en ook een Duits tijdschrift. Ze namen ook wel een en ander van elkaar over.

Begrip had een tekenaar, Frans Kalb, die lange tijd voor ieder nummer een vier of vijf tekeningen maakte. Dat heeft hij zeker zo'n 25 jaar gedaan. Er is ook wel eens het idee geopperd om er een tentoonstelling van te maken. Het begon al met de titelpagina van het tijdschrift, waar de naam Begrip in de stijl van het arabische schrift verscheen, met de impressie van een kerkraam en een moskeekoepel.

Het tijdschrift Begrip Moslims Christenen is verschenen van 1974-2016. Piet Reesink, die de langste tijd eindredacteur was (na oprichter Piet Backx), heeft met enkele assistentie alles gedigitaliseerd en het tijdschrift is nu toegankelijk via www.archiefbegripmoslimschristenen.jouwweb.nl . Ik wens het tijdschrift toe dat dit geen begraafplaats, maar een nieuw initiatief wordt dat inspirerend kan werken. Ik heb in ieder geval al met veel genoegen een aantal nummers doorgekeken, vooral natuurlijk uit de jaren dat ik zelf de hoofdredacteur was, 1992-2003. Een van de mooiste dingen vond ik wel die tekeningen van Frans Kalb, daarom hier alvast twee voorbeelden.

Een van de (strenge) moslims die er in de eerste jaren wel aan meewerkte was, de Palestijn Hamza Zaid. Hij zei me wel eens dat in die jaren van dramatische neergang van het kerkelijke leven in Nederland, de belangstelling voor moslims een middel was om van kerkelijke mensen weer wat aandacht te krijgen. Zowel de komst van Poolse en niet-westerse immigranten heeft naast de interreligieuze zaak inderdaad ook gediend om de aandacht voor godsdienst wat op te krikken.

Hierboven een tekening van Kalb uit no 152, (laatste van 2002) met de titel Kunnen gebouwen heilig zijn? Het gaat hier over de Julianakerk van Den Haag die door de Hervormden werd afgestoten. Moslims wilden wel kopen, de gemeente op een bepaald moment ook, terwijl de omwonenden ombouw tot een moskee helemaal niet zagen zitten.

Zelfs voor theologische ingewikkelde zaken wist Kalb wel iets luchtigs te vinden: hieronder een tekening naar aanleiding van de drie grote werken van Hans Küng over Jodendom, Christendom en Islam: alle drie hebben ze in de loop der tijden belangrijke veranderingen meegemaakt. Küng noemt dat paradigmawisselingen. Het zijn er zeven en bij alle drie religieslopen die ook nog een beetje parallel. Dat ziet er toch wat gekunsteld uit. In no 172 is dat door Kalb als hieronder afgebeeld.