In de jaren 1990 was ik eindredacteur van het tijdschrift Begrip: Moslims-Christenen. Daar heb ik toe een rubriek ingevoerd, 'Het Islamitisch-Christelijke Leerhuis' als een manier om de Koran te lezen, naast Bijbelse fragmenten. In 1998 kwam uit die aandacht ook een eerste boek over een Koranthema: Adam Redivivus. De titel wil zeggen dat Adam als het ware opnieuw gecreëerd wordt in de Koran, anders dan in de christelijke traditie. Zonder erfzonde. In dat boek gaf ik ook extra aandacht aan de verhaalcultuur van Indonesische moslims, die volgens mijn leraar Javaans, Pak Amin Soedoro, 'geen rem hebben op hun fantasie': de slang van het paradijs is maar één van de transformaties van de duivel.Hij moet zeven poorten zien binnen te komen en wordt ook een maiskorrel, opgegeten door een kip die over de muur kan vliegen. Wordt een knappe vrouw, die de volgende poortwachter kan verleiden enz. enz. Het tweede Koranboek kwam in 2002 en heette De Korte Hoofdstukken van de Koran (de laatste 37 sura's). In 2006 volgde het boek over De Jezusverzen in de Koran, tenslotte in 2011 een commentaar op de langste, sura 2. Het boek over de Jezusverzen verscheen in 2011 in een Engelse vertaling van Simon Rae (New Delhi en Hyderabad) en in een Indonesische vertaling in 2015.
Sinds enige tijd loop ik met de gedachte voor een nieuwe en bijgewerkte versie van de Korte Hoofdstukken. De Franse 'petit frère de Charles de Foucault', Michel Cuypers,lange tijd werkzaam in Iran, nu in Cairo, publiceerde een boek over de 33 laatste sura's van de Koran als een 'Koranische Eschatologie'. In afwachting van dat inmiddels bestelde boek, lees ik nu het eerdere boek datCuypers schreef over zijn specifieke methode van Koran-uitleg, Le Banquet, over de 5e sura.
De Koran is verdeeld in 114 sura's, die weer in verzen zijn verdeeld. Bij zijn exegese legt Cuypers de nadruk op het lezen van een sura als een geheel zelfstandig literair product. Maar binnen de eenheid van de sura zijn er weer aparte onderdelen die we als eigenstandige eenheden moeten zien. De lange sura 5 (120 verzen) ziet Cuypers in lijn met de algemene traditie als de laatste in ontstaan, de afsluitende dus. De positie van de 'nieuwe religie', de Islam, wordt hier beschreven in contrast met de twee belangrijke concurrenten, Joden en Christenen. Dit geheel wordt verdeeld in twee gedeeltes, die ook weer in onderdelen worden bekeken, respectievelijk 5 en 3. Die krijgen allemaal titels en die worden minutieus geformuleerd en uitgelegd. Er gebeurt nog veel meer, maar voorlopig vind ik het meest boeiend om die titels precies te bekijken. Kernbegrip voor de hele sura is de verwezenlijking van het verbond tussen God en mens.
A. 5:1-71: Moslims, Joden en Christenen tegenover het verbond
A1 (5:1-11) Het verbond komt tot volheid in de Islam
A2 (5:12-26) Joden en Christenen weigeren om toe te treden tot het Verbond
A3 (5:27-40) Straf voor de rebellerende kinderen van Israël
A4 (5:41-50) Gezag/autoriteit van de Profeet over Joden en Christenen
A5 (5:51-71) De status van Moslims en de Mensen van het boek
B: 5:72-120 De roeping van christenen om tot het Verbond toe te treden
B1 (5:72-86) De Christenen worden opgeroepen tot bekering
B2 (5:87-108) Een grondwet voor de gemeenschap van gelovigen
B3 (5:109-120) De belijdenis van het monotheïstisch geloof door Jezus en de apostelen
Cuypers gaat er, net als de Indiase geleerde Islahi en Mustansir Mir van uit dat de sura het meest wezenlijke onderdeel van de Koran is, zo'n beetje als de evangelies, de Paulusbrieven e. d. als aparte geschriften tezamen het Nieuwe Testament vormen. Maar toegepast op sura 5: daar komt de term Verbond voor mij toch niet meteen als kernbegrip naar voren. Niet zoiets als Verlossing of Bevrijding: meteen vanaf het begin komen ereen aantal spijsvoorschriften voor. In vers 6 de rituele reiniging of wudu'. In vers8 over status van getuigen. De waardering van Joden en Christenen is nogal wisselend: het beroemde en veel geciteerde vers 5:48 (God had de mensheid absoluut één en homogeen kunnen laten zijn, maar heeft gewild dat er meerdere volkeren en stromingen zijn) met de uitspraak fastabiqu bi a'-khairat of 'ga met elkaar een wedstrijd om het goede aan', lijkt te wijzen op het feit dat er bij iedereen wel wat goeds is.
Binnen een bepaalde episode weet Cuypers dan toch ook vaak op indringende wijze zijn methode om zo'n fragment als eenheid te zien stevig te beargumenteren: B1 geeft in verzen 72-86 eerst de fouten van de christenen (72-77, met als centrum van dit onderdeel vers 74: dat de bekering centraal staat); dan 78-86 de fouten van de Joden en de bekeerde christenen worden hier juist heprezen, met weer als eigen centrum vers 82 dat de Joden het allerslechtste zijn en de (bekeerde) christenen heel goed. Het blijft een met vuur en overtuiging geschreven boek, waar je niet zo gemakkelijk in mee kunt gaan.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten