Hay van den Munckhof stond 42 jaar voor de klas, waar hij kennelijk goed kon vertellen. Na zijn pensionering ging hij schrijven (of al eerder?). Hij heeft een vlotte pen en zich goed ingelezen in de vroege middeleeuwen: Islamitisch Spanje en de rest van Europa, Vikingen, Dorestad, vooral de beginnende reconquista in Spanje en het Frankische rijk na Karel de Grote.
Het verhaal begint in Cordova met een meisje cab 14 dat ongelooflijk is in talen: na een paar weken kan ze zich al in een nieuwe taal redden. Arabisch is haar belangrijkste taal, maar ze had een Berber-moeder en een hoog-Arabische vader die een mooie positie aan het hof heeft. Vanwege haar talenkennis gaat ze mee met een expeditie naar Noord-Spanje, waar de kalief van Cordova wil stoken tussen twee christelijke rijken: een verdrag met Asturië om zo Castilië dwars te zitten.
Het loopt allemaal wat moeilijk: het gewapende gezantschap wordt overvallen. De strijders gedood, Alya gevangen genomen en verkocht voor de slavenmarkt, waar ze dank zij haar talenkennis veel geld moet opbrengen.
Als het uitkomt spreekt ze Hebreeuws met Joden, zegt vlotjes het Credo op in het Latijn en doet zich dan dus als christin voor. De scheidingen tussen de religies zijn absoluut, maar er zit weinig diepe overtuiging bij, of minstens dat komt hier al helemaal niet naar voren. Alya heeft een slavin uit Navarra en zodoende kent ze ook al de taal van Noord-Spanje.
Op het einde van het boek is ze een tijdje in een klooster in Midden Frankrijk geweest (Frans lijkt zoveel op Spaans, dus dat ging ook allemaal makkelijk), maar arriveert ze al in Dorestad. Op naar de Vikingen dus!
Ik dacht aan dat curieuze boek Kruistocht in Spijkerbroek, maar dan nu de andere kant uit: vanuit de moslimwereld naar de barbaarse christelijke wereld. Een leuike en spannende avonturenroman, vooral voor meisjes? Verwijzingen naar huidige problemen tussen de moslimwereld en 'het westen' ontbreken.
Karel Steenbrink, geboren 1942, heeft een geschiedenis van werk en onderzoek over religie in Indonesië, eerst Islam (dissertatie 1974) later aangevuld met een serie boeken over Christendom in het land. Dit blog is een vervolg op het blog KarelSteenbrink.blogspot.com.
zaterdag 26 januari 2019
vrijdag 18 januari 2019
Post-Koloniale debatten
De koloniale geschiedenis is nog lang niet afgesloten. Heetste hangijzer zijn de 'excessen' (nette term voor wat gewoon oorlogsmisdaden genoemd wordt) van de periode 1945-1949. Nederland, net bevrijd van de Duitsers, wilde toen Indië weer terug. Het motto was dat Soekarno een 'terrorist' was die tegen de wil van de bevolking over een land wilde heersen, waar ze de Nederlanders enorm misten. De Zwitserse Nederlander schreef er in zijn echte moederland een dissertatie over, waarop weer een nieuw project in Leiden is begonnen. De Indonesiërs doen er nog niet aan mee, want ook hun bevrijdingsoorlog was niet zo eensgezind en heroïsch als wel graag wordt voorgesteld.
Limpach kwam 2 jaar geleden uit. 850 dichtbedrukte bladzijden in kleine letters. Een half jaar kwam het boek van de 500 koloniale oorlogen geleden kwam Piet Hagen met iets meer dan 1000 dundruk bladzijden. Wel erg veel dus in één boek. Ik las het onder meer voor de Padri-oorlogen en de Banjarmasinse Krijg van 1859- 1863 (of toch tot 1905?) en was teleurgesteld, want daar stond niet zoveel over in. Enkele bladzijden, vrijwel niets van de Indonesische kant. De Atjeh-oorlog, ja die krijgt veel aandacht en 1945-1950 ook bijna 100 pagina's. Het probleem van Piet Hagen is wel dat hij zo kalm, rustig, bijna-badinerend schrijft: kolonialisme was nu eenmaal vanaf het begin meer oorlog en strijd dan handel. Daar moet je je dus niet te moeilijk over doen. Eigenlijk een beetje oubollig en saai geschreven, al is het goed leesbaar.
Nee, dank Roofstaat van Ewald Vanvugt (uit 2016, nadat al eerdere versies waren verschenen). De verontwaardiging spat er van af. Hier schrijft iemand die een fijn oog heeft voor alle fouten bij anderen, vooral dus vroegere Nederlanders. Die worden er met graagte en veel verve in afgeschilderd. Niet om nou meteen helemaal uit te lezen want dat is ook al weer meer dan 850 bladzijden. Maar toch: dat je het maar weet! Niet alleen in Indonesië trouwens, er zit ook veel Suriname en wat Ghana en overig West-Afrika bij.
Bijna een verademing is een eigenaardig boek (ook uit 2016) over Atjeh van Anton Stolwijk met de ondertitel: Het verhaal van de bloedigste strijd uit de Nederlandse koloniale geschiedenis. Wellicht niet de langste (dat zou de Bandjarmasinse Krijg zijn geweest), maar de bloedigste. Kan wel kloppen.
In feite mengt Stolwijk op een knappe manier zijn recente reiservaringen met impressies van die Atjeh-oorlog van 1873-1903. En dan gaat het huidige Jakarta toch nogal eens met de verre provincie om op een harde, vaak meedogenloze manier, zoals ook de Nederlanders vroeger deden. En zijn er ook interne conflicten, zoals die er vroeger in Atjeh waren. Niet bepaald een bemoedigende of optimistische visie, maar wel mild en met een glimlach gebracht.
Een laatste boek in de 'nieuwe oogst' van koloniale overzichten is een mooi boek, ook uit 2018, met een rooftitel. Diederik van Vleuten schreef een familiegeschiedenis onder de titel Daar werd wat groots verricht. Onder diezelfde titel verscheen in 1941 een ronkend, lovend en onkritisch koloniaal overzicht. Erg propagandistisch. In 1946 kwam er zelfs nog een herdruk: heimwee en propaganda dus. Nu krijgen we een familie, de Van Vleutens, die daar nogal goed geboerd hebben en de neergang van het kolonialisme ook meemaakten. Mooi uitgegeven met heel veel foto's.
Limpach kwam 2 jaar geleden uit. 850 dichtbedrukte bladzijden in kleine letters. Een half jaar kwam het boek van de 500 koloniale oorlogen geleden kwam Piet Hagen met iets meer dan 1000 dundruk bladzijden. Wel erg veel dus in één boek. Ik las het onder meer voor de Padri-oorlogen en de Banjarmasinse Krijg van 1859- 1863 (of toch tot 1905?) en was teleurgesteld, want daar stond niet zoveel over in. Enkele bladzijden, vrijwel niets van de Indonesische kant. De Atjeh-oorlog, ja die krijgt veel aandacht en 1945-1950 ook bijna 100 pagina's. Het probleem van Piet Hagen is wel dat hij zo kalm, rustig, bijna-badinerend schrijft: kolonialisme was nu eenmaal vanaf het begin meer oorlog en strijd dan handel. Daar moet je je dus niet te moeilijk over doen. Eigenlijk een beetje oubollig en saai geschreven, al is het goed leesbaar.
Nee, dank Roofstaat van Ewald Vanvugt (uit 2016, nadat al eerdere versies waren verschenen). De verontwaardiging spat er van af. Hier schrijft iemand die een fijn oog heeft voor alle fouten bij anderen, vooral dus vroegere Nederlanders. Die worden er met graagte en veel verve in afgeschilderd. Niet om nou meteen helemaal uit te lezen want dat is ook al weer meer dan 850 bladzijden. Maar toch: dat je het maar weet! Niet alleen in Indonesië trouwens, er zit ook veel Suriname en wat Ghana en overig West-Afrika bij.
Bijna een verademing is een eigenaardig boek (ook uit 2016) over Atjeh van Anton Stolwijk met de ondertitel: Het verhaal van de bloedigste strijd uit de Nederlandse koloniale geschiedenis. Wellicht niet de langste (dat zou de Bandjarmasinse Krijg zijn geweest), maar de bloedigste. Kan wel kloppen.
In feite mengt Stolwijk op een knappe manier zijn recente reiservaringen met impressies van die Atjeh-oorlog van 1873-1903. En dan gaat het huidige Jakarta toch nogal eens met de verre provincie om op een harde, vaak meedogenloze manier, zoals ook de Nederlanders vroeger deden. En zijn er ook interne conflicten, zoals die er vroeger in Atjeh waren. Niet bepaald een bemoedigende of optimistische visie, maar wel mild en met een glimlach gebracht.
Een laatste boek in de 'nieuwe oogst' van koloniale overzichten is een mooi boek, ook uit 2018, met een rooftitel. Diederik van Vleuten schreef een familiegeschiedenis onder de titel Daar werd wat groots verricht. Onder diezelfde titel verscheen in 1941 een ronkend, lovend en onkritisch koloniaal overzicht. Erg propagandistisch. In 1946 kwam er zelfs nog een herdruk: heimwee en propaganda dus. Nu krijgen we een familie, de Van Vleutens, die daar nogal goed geboerd hebben en de neergang van het kolonialisme ook meemaakten. Mooi uitgegeven met heel veel foto's.
woensdag 9 januari 2019
In Memoriam: Frans Steenbrink ss.cc. 11 jan. 1931- 1 jan. 2019
SS.CC. staat voor Sacrorum Cordium. In het latijn betekent de dubbele letter een meervoud. En Heilige Harten staat voor de Congregatie van de Heilige Harten van Jezus en Maria. Mijn broer Frans was daarvan een actief lid sinds 1950. Hij overleed op Nieuwsjaarsdag na een lastige ziekte: dementie, na een TIA, waardoor hij de woorden niet meer kon formuleren, al gedurende een jaar of zes.
Op de foto hierboven het 50-jarig priesterfeest bij het klooster in Bavel omgeven door broers zussen en hun aanhang. Geen gewone grote familie meer, maar een soort clan of stam (plus une famille, mais un tribus, zei mijn directeur toen).
Bij de begravenis op 8 jan. in het klooster in Teteringen waren er weer heel wat van die familie aanwezig.
Ik hield daar de volgende nagedachtenis.
Hij ging in Sint Oedenrode ook wat helpen in het onderwijs van Pater Kengen, bij wie heel veel proeven van scheikunde en natuurkunde mislukten. Hij hield van het boek van Minnaert: Natuurkunde van ’t vrije veld. Hoe je de wereld van dagelijkse verschijnselen natuurkundig kunt uitleggen.
Hij kwam terecht in een krimpende kerk en alles daaromheen. Hij reed vele jaren stoer op de motor van het Klein Seminarie in Sint Oedenrode naar Heeswijk. Het seminarie sloot en in de jaren 1970 woonde hij in een van die twee mooie villa’s. Wij zagen elkaar veel, toen ik zelf in Eindhoven woonde. Foto’s maken en ontwikkelen werd een van de hobby’s en hij heeft de prachtige foto’s van onze kinderen ook altijd op royaal formaat uitgeprint. Toen hij econoom en missieprocurator werd kwam hij altijd terug met een soort fotoverhaal: niet alleen de paters en broeders, ook de kokkin, de tuinjongens. Hij leerde er systematisch Spaans voor, later ook Portugees en een aardig mondje Pools.
In de Nieuwe Katechismus staat een verhaal over het begin van het christendom in Nederland. Over een koning die vroeg: ‘Wij weten niet wat er aan een mensenleven vooraf gaat, niet wat erop volgt. Als de nieuwe leer ons daarover enige zekerheid kan geven, is zij waard dat wij haar volgen.’ Voor hem was die grote vraag niet de belangrijkste. Toen moeder in haar laatste jaren, na de dood van vader jouw vroeg of zij hem dan ook weer echt zou zien, moest hij ook voorzichtig antwoorden dat we daar geen zekerheid over hebben en dat het toch allemaal verrassend anders zou kunnen zijn. Voor hem was altijd eigenlijk belangrijker die vraag van de rijke jonge man die aan Jezus vroeg wat hij moest doen om het eeuwig leven binnen te gaan: alles verkopen en weggeven. In feite gingen dus de kloosters in de verkoop. Hij heeft met heel wat makelaars en potentiële kopers onderhandeld: Nuland, Valkenburg, het zusterklooster in Meerssen, uiteindelijk ook het klooster in Bavel. En hij vertelde met enige trots en grote overtuiging, dat ze hier vleesloze dagen hadden. Niet vegetarisch uit dierenliefde, of gezondheidsredenen, maar bekommernis om de armen in de wereld. Solidariteit.
Die aandacht was er voor de congregatie, de wereldproblemen, maar ook voor de grote kring van de familie. Hoe vaak ging hij niet voor bij huwelijken, dopen. Hij reisde tot twee keer toe naar Frankrijk om daar in zijn beste Frans in een huwelijksviering voor te gaan. En hoe vaak heeft hij onze ouders niet naar Parijs gereden.
Op de oude kamer had hij niet alleen een kast vol met fotoboeken, er was ook een hele santekraam van heiligenbeelden. Alice gaf er een paar jaar geleden nog eentje bij: dat beeld van de contente mens, als typisch Brabants ideaal. Hij liep niet voorop bij vernieuwers in de kerk, hoorde niet bij de kleine groep van verstokte vasthouders aan oude dromen en visioenen. Hij was realistisch genoeg om te zien dat veel kloosterorden, inclusief de eigen congregatie van de Heilige Harten, in Nederland voorlopig geen toekomst hebben. Hij was blij dat mee te bouwen aan de voortzetting in andere landen, vooral ook Indonesië dat net op tijd nog een stevige bloei kon zien. Hoe mooi, hoe rijk, hoe inspirerend was dit leven. Dank je, Frans, voor dit leven!
Op de foto hierboven het 50-jarig priesterfeest bij het klooster in Bavel omgeven door broers zussen en hun aanhang. Geen gewone grote familie meer, maar een soort clan of stam (plus une famille, mais un tribus, zei mijn directeur toen).
Bij de begravenis op 8 jan. in het klooster in Teteringen waren er weer heel wat van die familie aanwezig.
Ik hield daar de volgende nagedachtenis.
In Memoriam Frans Steenbrink. Van de 12 kinderen thuis was Frans de 3e.
Ik kwam elf jaar later als tiende. In mijn jeugd zag ik Frans bijna niet. Zeker
tijdens noviciaat en groot-seminarie was hij er wel maar op afstand. En dan
kwam je in het klooster van Valkenburg op bezoek: als jongen van rond de 12 was
ik er ook wel een keer: in die gastenkamer vol rook. Indrukwekkend was wel hoe
hij cello speelde met violiste mevrouw Reichenbach en nog enkele anderen: de Kunst der Fuge van Bach als
strijkkwartet. Muziek was een serieuze en belangrijke zaak in zijn leven. Gezongen
uiting van geloof kreeg van hem zeker even of meer serieuze aandacht als
dogmatische overpeinzingen.
Hij moest na zijn
priesterwijding terug naar de middelbare school: om na het gymnasium Alpha nog
HBS B te doen: de exacte vakken, waar hij zo goed is was. Hij studeerde in
Eindhoven en genoot vooral van zijn stage in Israel: een doopsgezinde
hoogleraar had die voor hem als katholiek priester geregeld. Het hele land
heeft hij daar doorkruist. Te midden van het moderne Israel zag hij Jezus
wandelen.Hij ging in Sint Oedenrode ook wat helpen in het onderwijs van Pater Kengen, bij wie heel veel proeven van scheikunde en natuurkunde mislukten. Hij hield van het boek van Minnaert: Natuurkunde van ’t vrije veld. Hoe je de wereld van dagelijkse verschijnselen natuurkundig kunt uitleggen.
Hij kwam terecht in een krimpende kerk en alles daaromheen. Hij reed vele jaren stoer op de motor van het Klein Seminarie in Sint Oedenrode naar Heeswijk. Het seminarie sloot en in de jaren 1970 woonde hij in een van die twee mooie villa’s. Wij zagen elkaar veel, toen ik zelf in Eindhoven woonde. Foto’s maken en ontwikkelen werd een van de hobby’s en hij heeft de prachtige foto’s van onze kinderen ook altijd op royaal formaat uitgeprint. Toen hij econoom en missieprocurator werd kwam hij altijd terug met een soort fotoverhaal: niet alleen de paters en broeders, ook de kokkin, de tuinjongens. Hij leerde er systematisch Spaans voor, later ook Portugees en een aardig mondje Pools.
In de Nieuwe Katechismus staat een verhaal over het begin van het christendom in Nederland. Over een koning die vroeg: ‘Wij weten niet wat er aan een mensenleven vooraf gaat, niet wat erop volgt. Als de nieuwe leer ons daarover enige zekerheid kan geven, is zij waard dat wij haar volgen.’ Voor hem was die grote vraag niet de belangrijkste. Toen moeder in haar laatste jaren, na de dood van vader jouw vroeg of zij hem dan ook weer echt zou zien, moest hij ook voorzichtig antwoorden dat we daar geen zekerheid over hebben en dat het toch allemaal verrassend anders zou kunnen zijn. Voor hem was altijd eigenlijk belangrijker die vraag van de rijke jonge man die aan Jezus vroeg wat hij moest doen om het eeuwig leven binnen te gaan: alles verkopen en weggeven. In feite gingen dus de kloosters in de verkoop. Hij heeft met heel wat makelaars en potentiële kopers onderhandeld: Nuland, Valkenburg, het zusterklooster in Meerssen, uiteindelijk ook het klooster in Bavel. En hij vertelde met enige trots en grote overtuiging, dat ze hier vleesloze dagen hadden. Niet vegetarisch uit dierenliefde, of gezondheidsredenen, maar bekommernis om de armen in de wereld. Solidariteit.
Die aandacht was er voor de congregatie, de wereldproblemen, maar ook voor de grote kring van de familie. Hoe vaak ging hij niet voor bij huwelijken, dopen. Hij reisde tot twee keer toe naar Frankrijk om daar in zijn beste Frans in een huwelijksviering voor te gaan. En hoe vaak heeft hij onze ouders niet naar Parijs gereden.
Op de oude kamer had hij niet alleen een kast vol met fotoboeken, er was ook een hele santekraam van heiligenbeelden. Alice gaf er een paar jaar geleden nog eentje bij: dat beeld van de contente mens, als typisch Brabants ideaal. Hij liep niet voorop bij vernieuwers in de kerk, hoorde niet bij de kleine groep van verstokte vasthouders aan oude dromen en visioenen. Hij was realistisch genoeg om te zien dat veel kloosterorden, inclusief de eigen congregatie van de Heilige Harten, in Nederland voorlopig geen toekomst hebben. Hij was blij dat mee te bouwen aan de voortzetting in andere landen, vooral ook Indonesië dat net op tijd nog een stevige bloei kon zien. Hoe mooi, hoe rijk, hoe inspirerend was dit leven. Dank je, Frans, voor dit leven!
Abonneren op:
Reacties (Atom)




