De Fransman Huysmans (spreek je dat uit als Wiesmans?) kende ik als een inspirerende figuur voor de jonge Louis Massignon die van atheïst een open katholiek en grote islamkenner werd. In het nieuwste boek 'Een theologie voor de 21e eeuw' van Erik Borgman krijgt hij ongeveer 8% van de pagina's van het eerste deel. Nu heb ik dus 2 boeken van hem gelezen.
Een hijgerige stijl van schrijven: concrete beschrijvingen met heel veel details, pakkend vaak. De noodzaak van het geschrevene schreeuwt er iedere bladzijde van af. Maar de twee boeken waren wel heel verschillend.
Huysmans leefde van 1848-1907. Zijn decadentieboek À Rebours is uit 1884. De vertaler van het boek naar het Nederlands (Jan Siebelink, vooral bekend van ultra Protestante Knielen op een bed violen, ook extreem eigenaardig) beschrijft hem als de 'profeet van de decadentie. hoofdpersoon is telg van een rijk adellijk geslacht die alle waarheid en schoonheid van de buitenwereld veracht en in een zelfgekozen isolement. Hij leest Latijn, maar heeft een eigenzinnige smaak. Hoofdstuk 3 (51-63) vindt Cicero protserig, met moeilijk lopende zinnen. Ambrosius is 'de schrijver van ongenietbare zedenpreken'. Van Augustinus had hij wel veel gelezen, maar 'al meer dan genoeg gekregen van zijn preken en jammerklachten, van zijn theorieën over predestinatie en de genade, van zijn strijd tegen de schisma's.' (59). Nee, zijn grote held is Petronius, society beschrijver onder keizer Nero 'die de erotische avonturen van het voor Sodom rijpe wild beschrijft..' (55)
er zijn hoofdstukken over schilderkunst, juwelen, geuren, moderne Franse literatuur, allemaal getuigend van grote belezenheid en afkeer van wat naar klassieke goed smaak zweemt.
Het andere boek wat ik van Huysmans las is uit 1906, een tien jaar na zijn (definitieve) bekering tot het katholicisme en een jaar voordat hij in een benedictijnerpij als oblaat stierf aan longkanker (vanwege zijn rookverslaving). Het is een boek met als titel Lourdes en de Massa. Hij schreef het tien jaar nadat Emile Zola een atheïstisch boek over Lourdes schreef. Huysmans schrijft een soort dubbelboek. Het begint met een overdonderende opsomming van de lelijkheid van de stad: de Rozenkranskerk beschrijft hij als 'een kruising tussen een paardenrenbaan, een casino en een rangeerstation voor locomotieven'. De mozaïeken in die kerk vind hij afgrijselijk. Maar ergst zijn de mensen zelf, de zieken en hun verzorgers. Bladzijde na bladzijde staan volg met allerlei gruwelijke beschrijvingen van ziekten, mismaakte mensen, zeurkousen. Maar dan, ineens de ommekeer: de niet te verklaren genezingen, de ongekende toewijding, de eerlijkheid van de agnostische artsen. Zo eindigt dit boek met een identificatie van Eva en Maria: En U die hier op aarde geen wonderen bij Uw leven deed, doet ze nu, én voor haar én voor ons, Licht van goedheid dat geen donker kent, Behouden Haven van de eeuwig-lijdende, Maria van alle mededogen, Moeder van alle barmhartigheid.
Als Huysmans ergens over schrijft is het altijd mateloos, totaal, overdreven en ook toch een beetje overrompelend. Tot einde 20e eeuw nog wat in de belangstelling, maar zo ook nog voor de 21e?


Geen opmerkingen:
Een reactie posten