dinsdag 18 december 2018

Goedmoedige krijgsmanstaal: Willem van Rees

Voor het project Christian-Muslim Relations, a Bibliographical History schrijf ik nog enkele artikelen over de 19e eeuw. Het laatste ging over de strijd in Banjar, het zuidelijke deel van Kalimantan, vroeger Borneo. Daar haalden de Nederlanders sinds 1840 kolen en de Duitsers waren er met kerstening van de Dajaks in het binnenland begonnen. De oude sultan stierf in 1857 en dit was gelegenheid voor familieruzie, gekonkel, waar de kolonialen profijt bij haalden door de drie belangrijkste kandidaten te verbannen en het gezag rechtstreeks over te nemen. Er kwam wel verzet, dat deels sterk religieus was geïnspireerd door eigenaardige zieners, een mengeling van traditionele religie en Moslim elementen. Probleem bij het schrijven van de bijdrage was wel dat de twee contemporaine lokale bronnen in het Maleis geschreven waren door mensen die door de Nederlanders werden betaald, voor hen streden, maar vooral hun eigen rol als bemiddelaars naar voren haalden en religieuze componenten helemaal verdoezelden.
Curieuze auteur was hier wel een oud-legerman, Willem Adriaan van Rees, die van zijn 20e tot 40e in het leger zat, toen tien jaar van alles schreef, en van zijn 50e tot zijn dood op zijn 80e lid van de Algemene Rekenkamer was.
In die tien jaar schrijverswerk heeft hij ruw geschat zo'n 1500 bladzijden gepubliceerd met veel smeuïge verhalen. Hij heeft het zelfs gebracht tot 5 bladzijden (193-7) in de Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys, een korte vermelding bij Beekman. Maar niets in de Oost-Indische Inkt van Alfred Birney.
Van Rees was een stevige militair en op de foto hierboven zien we de Willemskerk op het Koningsplein van Batavia (nu Gereja Immanuel). Van Rees besteedt een bladzijde aan de parade op de koninklijke verjaardag. Zal de Gouverneur-generaal in burger of militair tenue komen? Gelukkig als militair want 'het zou vreselijk zijn om als militair voor een burgerpakje te moeten salueren'.
In zijn boek Herinneringen van een Indisch officier, heeft Van Rees een aantal hoofdstukjes van zo'n 5-6 bladzijden over de 'verheffing' van de inlander. In zending en bekeringspogingen ziet hij niets, maar ook van de niet-religieuze aanpassingen ziet hij alleen maar kwade gevolgen: de aangepaste inlander doet immers niets anders dan alcohol inslaan en zelfs dansavonden met gewillige vrouwen eindigen in een van die verhalen in mannen die dronken op de vloer liggen en tot niets verder in staat.
De verhalen van de krijgers die zich eerst moed hebben ingezongen via het reciteren van heilige spreuken als la ilaha illa Allah onkwetsbaar achtten, lopen helemaal verkerd: "In Amandit trachtte hadji Lamoan een bende orang beamaäl te organiseren, doch werd met een volgeling door een nachtelijke patrouille onder Gehne afgemaakt".
Ook hier zoekt de koloniale partij steun te krijgen bij 'gematigde moslims': "Verspijck had reeds den mufti en de drie voornaamste penghoeloe’s van Martapura naar Amuntai gezonden met last door hun invloed het ratib beamal te doen ophouden als zondig en strijdig met de wet van de Profeet; en daar in de omtrek van Kaloewa een geestdrijver was opgestaan, die den profeet Mohamed geloochend, den Koran bespot en in de rivier geworpen had, en met kracht van wapenen een nieuwe godsdienst wilde invoeren (waarvan uitroeien der blanken een der hoofdleerstellingen uitmaakte), was de Islamsche bevolking verontwaardigd en geneigd aan de hooge priesters het oor te leenen…".
In een aantal scenes kom je dan beschrijvingen tegen die wel lijken op hoe de huidige Nederlanders tegen IS aankijken. Verandert er dan toch niet zo veel?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten