Over het eerste boek van Kamel Daoud, Moussa of de dood van een Arabier, schreef ik op eerste sectie van deze blog. Dat boek was geschreven in de stijl van Camus, filosofisch en vetrtellend, soms heel kalm en dan weer in versnelling. Met veel aandacht voor de laat-koloniale tijd en de revolutie die de Fransen radikaal heeft weggejaagd.
Al lezend in zijn nieuwe boek dacht ik dat Daoud nu Camus heeft ingeruild voor Murakami. Het gaat hier over een man van bijna dertig, die Ismaël heet maar de naam Zabor draagt, naar de Arabische term voor de psalmen van David. In 1984 sterft zijn opa in zijn armen. Toen was hij ongeveer 14 jaar, dus kan hij geboren zijn in 1970, net als Kamel Daoud.
Het boek beschrijft de 'huidige tijd' van de ik-persoon, naast fragmenten uit zijn jonge leven, vooral puberteit.
Naar een vrouw taalt hij niet, al is er een 'tweede keus' een verstoten, dus gescheiden vrouw, ongewild, waar hij wellicht nog wat mee gaat beginnen maar dat wordt steeds uitgesteld.
Hij ontdekte al op jonge leeftijd dat hij moet schrijven (zoals de profeet stemmen hoorde en moest spreken, zoals Sheherazade moest vertellen om in leven te blijven). Door schriften aan te leggen over de bevolking van het kleine dorp waar hij woonde kan hij de levens van de bewoners verlengen en hen vrijwaren van de dood. Zijn eigen vader ligt op sterven, maar die toestand blijft zo het hele boek door. Hij heeft honderden schriften vol geschreven. In kleine flarden krijg je zo allerlei kleine geschiedenissen van de mensen van het dorp.
Zijn eigen vroege levensfasen komen er ook in naar voren. Hij heeft naast op een gewone lagere school ook op een madrasa, een Koranschool geleerd. Kende de helft van de Koran vanbuiten, maar hield er toen mee op toen hij voelde dat het van buiten leren van de Koran zonder aandacht voor de betekenis de dood van zijn gave zou hebben betekend (197) De nacht dat hij dat ontdekte noemt hij 'de nacht van het noodlot' (lailatul qadr, de nacht waarin Mohammed ook zijn eerste openbaring kreeg en waarin de Koran neerdaalde op aarde).Hij kreeg een reputatie van afvallige, maar zijn boek heeft toch heel wat verwijzingen naar koranpassages, vooral de verhalen over de grote profeten, Jonah (Yunus), Noah, Jozef (in Egypte, Yusuf), maar ook de veroordeling van de dichters (gevolgde door dwalenden, blz. 22, Koran 26:224) of de paradijsbeschrijvingen van sura 55.
Het was geen gemakkelijk lezen: er gebeurt heel weinig, de vader is nog niet dood, al loopt de ruzie over de verdeling van de erfenis al even. Even ben je deel van een heel apart soort van leven in visioenen, geschrijf, stilstand eerder dan ontwikkeling ergens naar toe.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten