zondag 1 augustus 2021

De twee kardinalen van 2021: Willebrands

 Eerder schreef ik al over de biografie van kardinaal Van Rossum (Vefie Poels, 735 blz), nu dus een en ander over die van Johannes Willebrands, een leven in gesprek, door Karim Schelkens (Amsterdam: Boom, 2020, 607 blz. Ik las nu pas het boek; over het webinar op 26 januari 2021). Dit is dus de tweede Nederlandse curiekardinaal sinds paus  Adrianus VI (st. 1522). Hun levens beginnen voor een deel gelijk. Willebrands is geen wees, kwam uit een harmonisch middenstandsgezin in West-Friesland, Bovenkarspel, maar volgde wel een klein-seminarie in Vaals bij de Redemptoristen, (waar Van Rossum 50 jaar eerder deels zijn groot-seminarie deed). Willebrands ging verder filosofie en theologie studeren bij het bisschoppelijk seminarie van Warmond, daarna nog eens theologie in Rome, met  een dissertatie over Newman. Daarmee was al bijna 1/3 van zijn leven aan opleiding gegeven: van 1909 tot 1937. Daarop volgde vier jaar praktische zielzorg in een kalme en intellectuele sfeer aan het Begijnhof in Amsterdam: kleine parochie, intellectuele pastoor die veel met kerkgeschiedenis deed. Het was nog de tijd van bekeerlingen  zoeken bij Protestanten en Joden.Eigenlijk was Willebrands toen over Joden al positiever: Jezus was zelf een Jood, maar  na veel aarzeling doopte hij in de zomer van 1940 toch een Jodin. In diezelfde eerste oorlogszomer vertrok hij naar Warmond om docent filosofie te worden. Hij  liet de westerse filosofie beginnen bij Plato, kwam via Epicurius en de Stoa bij de middeleeuwse scholastiek. Pas in 1948 begint de oecumenische pionier gestalte te krijgen.De "Apologetische Vereniging Petrus Canisius" veranderde van naam in Sint-Willibrordvereniging 'voor herkerstening en hereniging binnen Nederland'. Petrus Canisius  had toen kennelijk een slechte naam als agressieve apologeet tegen de protestanten. Herkerstening was ook een woord om een gemeenschappelijk doel mét protestanten te vinden. Rond 1980 begint Willebrands dan zijn belangrijkste project: de Katholieke Oecumenische Raad. Het jaar ervoor had hij zijn bisschop al om taakverlichting gevraagd: want hij was zowel directeur als docent bij de filosofische afdeling. Hij had geen academische ambities en schreef alleen de twee noodzakelijke artikelen om de erkenning van zijn Romeinse dissertatie te krijgen. Hij zocht een internationaal netwerk om een Katholieke Conferentie voor Oecumenische Vragen te kunnen opzetten. Hij organiseerde jaarlijkse conferenties, steeds op verschillende plaatsen, waar zowel theologen als kerkleiders, aanvankelijk alleen katholiek, later ook protestanten. Aan katholieke zijde waren er vier groepen: Italianen als Montini, Bea en Charles Boyer in Rome, Duitsers rond de bisschop van Paderborn, Franstaligen rond Congar, Belgen van Chevetogne. In 1952 kwam er in Fribourg een stchtingsvergadering van de Catholic Conference for Ecumenical Questions. Het was nog lang niet altijd de open oecumene zoals wij het nu kennen. In 1953 sprak Alfrink in Chevetogne over de 'succesvolle oecumene' in het Aartsbisdom Utrecht, met als resultaat een duizend protestantse bekeringen tot het katholiek geloof per jaar. Maar langzaam kwam er toch ook sympathie voor protestanten bij, ook, na moeizame ontmoetingen, onderhandelingen  met de orthodoxie. Je buitelt in het boek over allerlei ontmoetingen en steeds meer namen. Zo werd het in 1960 voor Paus Johannes XXIII, die een concilie bijeen wilde roepen, logisch dat hij Willebrands moest hebben als secretaris (onder de oude kardinaal Bea) voor het nieuw op te richten Vaticaanse secretariaat voor de eenheid. Kardinaal Bea kwam maar een keer per maand op het kantoor, maar gaf wel geld voor een nieuwe Volvo voor Willebrands, die in 1958 door zijn bisschop was vrijgesteld voor dit werk, maar er geen fondsen voor had. Op vele fronten geeft dit boek inzicht in de verrassend snelle veranderingen in de Katholieke Kerk tussen 1950 en 1965. Voor het concilie dat in vier perioden in het najaar van 1962-5 bijeenkwam waren een 40tal niet-Katholieke observers.Willebrands en zijn secretariaat stonden naan de bakermat van 3 belangrijke conciliedocumenten: christelijke eenheid of oecumene, contact met niet-christelijke godsdiensten (Nostra Aetate) en godsdienstvrijheid. Dit waren dus allemaal punten waar zijn voorganger, Van Rossum nog de antimodernisteneed van Pius IX over had gepreekt. Overigens spreekt deze biografie alleen over de Joden van Nostra Aetate, terwijl die voor mij persoonlijk natuurlijk veel belangrijker was als opening naar de Islam. Op 7 december 1965 spreekt Willebrands namens de katholieke bisschoppen (inclusief de paus) de opheffing van de banvloeken tussen Rome en Constantinopel.

Na het concilie komen nog belangrijke ontwikkelingen: de Paus Paulus VI ontmoet de patriarch van Constantinopel/Istanbul, hij  bezoekt de Wereldraad en ontmoet de Anglikaanse leider. Maar het Vaticaan wordt geen lid van de Wereldraad van Kerken, er komt geen intercommunie. Willebrands wordt in 1969 wel kardinaal, maar de functie van het oecumenesecretariaat wordt wat minder. In 1975 moet Willebrands (tot 1983) het Aartsbisdom Utrecht 'er bij' doen. Hij krijgt dan conflicten, vooral met bisschop Gijsen van Roermond. De priesteropleiding staat vrijwel stil: niet één priester heeft hij kunnen wijden in zijn 'Utrechtse periode'. De aparte bisschopsvergadering in Rome voor de verdeelde Nederlandse bisschoppen heeft niets opgelost. In December 1983 komt Simonis naar Utrecht als zijn opvolger. Als Paus Johannes Paulus II in 1985 naar Nederland komt, heeft Willebrands geen Nederlandse functie en hij probeert alleen nog de contacten met Nederlandse joden een beetje te redden. Officieel blijft hij tot 2 januari in dienst van het Vaticaan, toen dus zijn opvolger aan het secretariaat aankwam. Hij zelf ging toen naar een zusterklooster in Twente, Denekamp, tot zijn dood op 3 Augustus 2006.


Hoe de twee te vergelijken? VR was nooit inde praktische pastoraal, was nooit in een missiegebied, hij ontwierp vooral modellen en regels hoe alles uniform moest lopen. W was de man van ontmoeting, die overal wat goeds in moest gaan zien, aanknopingsunten vinden, de spiritueler. VR steunde in zijn jongere jaren vooral op Alfonsus, eigenlijk toch een advocaat die de algemene leefregels voor iedereen kende en wilde gaan toepassen. W steunde op Newman, een zoeker, die anderen in de zoektocht naar het spirituele wilde steunen met zijn Grammar of Consent

donderdag 29 juli 2021

De twee kardinalen van 2021: Willem van Rossum

 Onlangs verschenen er biografieën van twee kardinalen: Willem van Rossum (1854-1932) en Jo Willebrands (1909-2006). Alleen al de cover van de twee boeken zijn tekenend voor de mannen: van pauselijke figuur tot een soort burgerman, trots tot bescheidenheid, grote ambities tot goedlachse tevredenheid bij wat wel en niet lukte.


Vandaag eerst maar Van Rossum. Op 9-jarige leeftijd kwam hij in een katholiek weeshuis in Zwolle waar hij als speelgoed priesterkleren kreeg, zodat hij de mis kon opdragen. A;s 13-jarige ging hij naar zijn tweede katholieke bubbel: een door Jezuïeten geleid klein-seminarie als middelbare school in Culemborg. In 1873 begon hij als 19-jarige aan zijn 3e bubbel in het streng katholieke klimaat van die tijd: de opleiding tot Redemptorist en priester in Roermond en Wittem. Na de priesterwijding in 1880 ging hij niet naar de parochies waar de Redemptoristen hun missies van preken en biecht hielden, maar terug naar Roermond als docent, op niveau van middelbaar onderwijs. Dan weer in 1883 terug naar het klooster in Wittem als docent op de theologische opleiding. Hij moest daar vooral werken aan een boek over systematische theologie (dus vooral triniteit, God als Schepper, Jezus als God en mens, de Heilige Geest), naast het handboek Theologia moralis, de ethiek van Joseph Aertnijs (1e druk 1886-7), die in mijn studententijd theologie nog in de collegezaal van Valkenburg (halverwege de Cauberg) stond groot aantal van ca. 40: als er een plotselinge inspectie vanuit 'Rome' zou komen moesten die boeken bewijzen dat daar toch nog de traditionele katholieke leer, vooral over seksualiteit werd onderwezen. De stichter van de Redemptoristen, Alfonsus de Liguori werd vooral gezien als een man die praktische richtlijnen voor ethisch handelen gaf, eerlijker dan de Jezuïeten die met trucjes (en nadruk op goede bedoelingen) kwade handelingen toch nog wilden goedpraten. Aan Van Rossum de taak om Alfonsus ook een ereplaats te geven naast Thomas Aquinas, de grote inspirator voor de officiële katholieke theologie eind 19e, begin 20e eeuw. (zie alhier 83-5). Een eerste werk publiceerde hij al in 1885 over de leer van Alfonsus over de vraag of zonder de erfzonde Gods Woord toch ook mensen geworden zou zijn? Was er dan nog een noodzaak voor de incarnatie? In 1890 kwam er nog een publicatie over de schepping van de wereld in zes dagen, waar Alfonsus en ook Van Rossum zich strikt hielden aan zes dagen van 24 uur, dus tegen het opkomende modernisme, die er ook wel periode in wilden zien. Van Rossum was niet alleen docent en bescheiden schrijver, hij werd rector van het klooster en bouwde die fantastische bibliotheek, waarvan je je afvraagt of de muren de boeken wel kunnen dragen!

Kloosterbibliotheek Wittem, gebouwd onder rector Van Rossum

In 1894-5 kwam er een eigenaardig conflict in de orde der Redemptoristen, over kloosterdiscipline. Deze concentreerde zich op de vraag of in uitzonderlijke gevallen leden mochten roken (zoals voor Fransen wijn aan tafel, en af en toe cognac tot de in feite wel toegestane dranken hoorden). Van Rossum was van de harde lijn, roken mocht niet en in het debat hierover werd gezocht naar wegen om hem weg te promoveren. Brazilië kwam in de picture, alhoewel hij nooit enige belangstelling had getoond voor het werk in de overzeese missie (115). Het werd Rome! Als 41-jarige begon hij daar in 1895 een nieuw leven. Hij had daar aanvankelijk geen duidelijke positie, maar na een jaar kreeg hij de opdracht om een advies aan het Heilig Officie in te dienen betreffende een standpunt van Alfonsus de Liguori inzake verschillende vormen van mystiek: van rustige meditatie tot druk spreken in tongen. Dit viel in zo goede aarde dat hij benoemd werd tot consultor bij het H. Officie. Dat was een in feite onbetaalde deeltijdpositie, soort zzper, maar de ijverige en ambitieuze Van Rossum trok veel werk naar zich toe en voorlopig bleef hij in het Redemptoristeklooster wonen. Aanvankelijk als een van de twintig consultoren, maar vanaf 1913 in de hogere functie van lid van het H. Officie, heeft hij de wekelijkse zittingen van het H. Officie bijgewoond van 1897 tot zijn dood in 1932 (pp. 151-2). Daarbij bleef het niet. Voor mij was het meest verrassende stuk van de stuk van de biografie van 733 bladzijden hoe iemand van een bescheiden positie kon opklimmen tot allerlei andere functies en uiteindelijk tot de bijna absolute top: uiteindelijk werd Prefect van de Congregatie van de Propaganda Fide en kardinaal. De titel verwijst daarnaar: Rood staat voor de kardinaal, Rode Paus na de echte (witte) Paus en de zwarte paus, de zeer invloedrijke generale overste van de Jezuïeten die ook vlak bij het Vaticaan woont.

Een curiekardenaal (die dus geen lokaal bisdom bestuurt) moet aan het hoofd staan van een afdeling van het Vaticaan. Van Rossum werd vooral gekozen vanwege zijn talenkennis: Frans, maar vooral: Engels en Duits waren zeldzaam in het Vaticaan. Zelfs de huidige Paus Franciscus kan zich moeizaam in het Engels uiten.

Vanuit de algemene missiegeschiedenis zijn er enkele opmerkingen te maken over de zaken die Van Rossum in zijn belangrijkste functie  aan het Vaticaan meemaakte. Allereerst over China. Vefie Poels vermeldt enkele keren als een van de grootste successen dat in 1926 zes Chinese priesters bisschop waren gewijd.Dat waren goed opgeleide, vlot Latijns sprekende priesters, die mooi werk verrichten in de stijl van de nieuwe China-missie die Frankrijk had afgedwongen in 1844, maar toch wel heel wat andere figuren dan de stijl van de eerste China-missie van Matteo Ricci c.s.: dat waren Jezuïeten die een functie kregen aan het keizerlijke hof doordat zij westerse natuurwetenschappen inbrachten, betere klokken, berekeningen van zonsverduisteringen. De 19e eeuwse missie werd afgedwongen in oorlogen die gevoerd werden om opium en andere westerse handelswaar in China te verkopen. Terwijl Ricci probeerde om via zijn Chinese kleding, en vooral enkele aparte wetenschappen respect te krijgen bij het keizerlijk paleis, begon de 19e eeuw missie vooral bij zorg voor weeskinderen, opbouw van onderaf. Het doel was een afdeling van de wereldwijde kerk van Rome. De debatten over respect voor Confucius, en huisaltaren waar ceremonies ter ere van de voorouders werden gehouden, bekend als de ritenstrijd waren in 1742 geëindigd met een absoluut verbod vanuit Rome, zelfs met een ban op verder debat hierover. Pas in 1939 stemde Pius XII in met bepaalde huisceremonies ter ere van de voorouders. Maar dat is na de dood van Van Rossum en Pis XI. 

Van Rossum stond voor een krachtige kerk, onafhankelijk van een bepaalde natie of cultuur. Missionarissen zouden gestuurd moeten worden door de Propaganda Fide. Dit was in de praktijk moeilijk te verwezenlijken. In 1844 hadden de Fransen bij het verdrag van Wampoa niet alleen vrijheid van missionering, kerkenbouw en katholieke scholen bedongen, maar ook voor zichzelf de exclusieve rechten van bescherming van de christenen, het protectoraat. Op basis daarvan hielden de Fransen zelfs de komst van een Vaticaanse nuntius naar Peking tegen.

Van Rossum en de pausen onder wie hij diende hebben Frankrijk wel weer geprezen voor wat het in China deed, ook al heette de band tussen missie en koloniaal imperialisme een pestis teterrima, een verfoeilijke pest. 

Toen ik in 2009 in Lyon lid van een examencommissie was voor een dissertatie over de priesteropleiding voor Oost-Azië, kwam het gesprek met de Fransen al snel op een van de blijvende pijnpunten, waar Vefie Poels haar uitgebreide 15e hoofdstuk aan wijdt 46 bladzijden, 371-417). In 1822 was een jonge Française, Pauline Jaricot, in Lyon begonnen met het Werk voor de Voortplanting van het Geloof, Oeuvre de la Propagation de la Foi: dagelijkse gebeden, een tijdschrift en geldinzameling ten bate van de missies buiten Europa. Het werd een ongekend groot succes. Later volgde het werk voor de 'Kindsheid', speciaal voor vrijkoop (of 'aankoop'? ) van Chinese kinderen. Van Rossum nam in 1919 het initiatief om dit succesvolle lekeninitiatief, dat al bijna een eeuw zeer goed werkte, onder beheer van de clerus en vooral van de Propaganda Fide te brengen. Onder het mom van centrale leiding door een universeel instituut, werd begonnen aan wat Poels een 'moeizame weg van de voortplanting des geloofs naar Rome' noemt. Er zaten allerlei problemen bij: ook aan Amerikaan se kant waren er tegenstemmen, de Duitsers deden liever al helemaal niet mee, maar na vijf jaar was het toch beklonken. Het hoofdstuk is een mooi voorbeeld van de koppigheid, maar ook subtiele onderhandelingsstrategieën van de Nederlandse kardinaal. 

Van Rossum had geen buiten-Europese ervaring, zijn eigen missiedromen gingen eigenlijk vooral over het Lutherse deel van Europa, Duitsland, maar vooral de Scandinavische landen en Ijsland, toen ook gezien als missiegebieden, zoals Nederlamd het tot 1853 was: zonder eigen bisschoppen. Grote kerken en prachtige liturgieën zouden wel werken, hoopte hij, maar initiatieven daar bleven praktisch zonder effect.

In de moslimwereld had hij ook weinig te zoeken. Bij zijn plannen voor de overname van het Franse  'Werk voor de Voortplanting van het geloof' was geen geld  voorzien voor de geünieerde kerken van Oekraïne, Bulgarije, Rusland, evenmin als in Syrië en Egypte. Pijnlijk voor hem was het dat kort na de inlijving van de grote Franse geldmachine, zijn tweede man, Angelo Roncalli, overgeplaatst werd als nuntius naar Bulgarije en dat er binnen het Vaticaan een aparte afdeling werd opgericht voor de Oosterse Kerken. En dan te beseffen dat deze Roncalli later Paus Johannes XXIII werd, die van het Vaticaans concilie. Deze affaire biedt een mooie beeld van geschuif, lobby en gedoe binnen de Romeinse curie! 

Op p.326  schrijft Poels dat van Rossum de 'tekenen des tijds verstond. Hij trok de conclusie dat dekolonisatie slechts een kwestie van tijd was en dat de katholieke kerk daarop moest worden voorbereid door het verbreken van de band tussen missie en koloniale politiek.'  Zij heeft gelijk dat  Van Rossum missionaire activiteiten in Rome versterkte, zoals het Collegio Urbano voor de priesteropleiding, de wereldmissietentoonstelling van 1925 en meerdere activiteiten. Maar concrete visie op inzakken van het koloniale imperialisme zie ik bij hem minder, dan een wereldvisie, waarin alles van het leven allereerst gericht zou moeten zijn op kerkelijke zaken: de bubbel waarin hij werd opgevoed, bleef in stand ook in zijn  Romeinse jaren. Van een visie op de instorting van het kolonialisme heb ik weinig gezien, zeker niet over de opvolgende onafhankelijke regeringen die daarop zouden moeten volgen! De Nederlandse Dominicaan B. Gijlswijk was door Van Rossum aangesteld voor zuidelijk Afrika en wordt als zodanig vermeld op blz. 306 en 478. Ik kwam Gijlswijk ook tegen bij de eerste landelijk bijeenkomst voor 'Kerkvoogden' in Nederlands Indië in 1925. De term kerkvoogden dient hier voor de reguliere missieoversten én de apostolische prefecten en vicarissen samen (de laatsten in feite overal van dezelfde kloosterorde als de reguliere missieoversten). Die bijeenkomst uit 1925 begon met een bezoek aan de Gouverneur Generaal in Buitenzorg. In zijn openingsspeech noemde Gijlswijk als een van de grote problemen voor de toekomst van de missie het 'nationaliteitsgevoel der inlanders'. Tegenover deze afgevaardigde van Rome vroegen de kerkvoogden uiteraard om meer geld via Propaganda Fide en andere Pauselijke Missiewerken. Maar zij wisten ook zeer wel, dat naast de rechtstreekse giften van hun landen van herkomst, juist de koloniale regering een of wellicht zelfs de grootste financiële ondersteuner van de missie was: een aanzienlijk aantal priesters werd als geestelijke gesalarieerd, in de delen van het land waar het onderwijs aan missie en zending was toevertrouwd, werd dat ook door de koloniale regering gefinancierd,inclusief de salarissen voor missionarissen die als 'beschavingssubsidie' of onderwijsinspectie werden gegeven. Er werd over deze conferentie uitvoerig naar Rome gerapporteerd, in Nederlands en Frans. Daar kwam geen inhoudelijke reactie op. Toen de Apostolisch Vicaris van Batavia daarop  zijn verbazing uitte aan Gijlswijk, schreef hij, dat zolang de kerkvoogden 'eendrachtige samenwerking' vertoonden, deze reactie in het algemeen 'zeer schaars en dan nog bondig zijn'.  (Catholics in Indonesia, vol 2:14-15). Rechtstreekse sturing van lokale missiegebieden waren niet algemeen. Ik heb in mijn onderzoek naar de katholieke missiegeschiedenis van Indonesië voor de periode 1808-2010 nauwelijks van Vaticaanse documenten gebruik gemaakt, maar veel van koloniale ambtenaren, naast interne documenten van de katholieke missie. Ook de conclusie op blz. 491 dat 'de 20e eeuwse missie een goed georganiseerd bedrijf werd dat steeds meer onder regie van de Propaganda Fide kwam te staan', blijf hierbij betwistbaar. Ook kunnen we ons afvragen wat 'nationalistisch'beekent in de er op volgende zin: 'Nationalistische doelen werden zoveel mogelijk aan banden gelegd.' Dan gaat het hier zeker niet over anti-koloniaal nationalisme.Voor zover in bijna alle gevallen onderwijs en ziekenzorg belangrijke peilers voor de missie waren, vielen de koloniaal-nationale belangen wel samen met die van de missie.

De laatste jaren zijn er publicaties verschenen over Vaticaanse schandalen: financieel, het Vaticaan zou een concentratie van homo-prelaten zijn, die weer tegen homoseksualiteit strijden en dan een continue machtsstrijd tussen 'progressieve en conservatieve' prelaten. Dit komen we af en toe hier ook wel tegen, maar incidenteel slechts. Een zeer curieus schandaal betreft de secretaris van Van Rossum, J.M. Drehmanns, die hem van 1912 tot 1930 ondersteunde. Hij had ook eigen plannen voor de stichting van twee kloosterordes, een mannelijke en een vrouwelijke tak. Hij had uiteindelijk vooral als doel om zo zelf heilig te worden verklaard, want dat gebeurde het snelst als je een nieuwe kloosterorde na zou laten. Het verhaal hierover is bijna komisch en wordt in delen verteld (536-540; 547-557) Uiteindelijk leidde dit tot verbanning van Drehmanns uit Rome. Maar hij weet in 1950 toch nog acht bruiden van Christus mee te nemen naar Brazilië, waar hij over waakte tot zijn dood in 1959. Zo staat dit boek vol met prachtige anekdotes over die wondere wereld die het Vaticaan heet, nuchter en toch met gevoel voor dramatiek genoteerd.


vrijdag 16 juli 2021

Nog wat meer Begrip

 Eerder deze week schreef ik al over het mooie werk van Piet Reesink om alle nummers van Begrip op een goed toegankelijke site te zetten. Daarom hierbij nog enkele leuke tekeningen van Frans Kalb. De eerste is naar aanleiding van een van de mislukte pogingen om tot een Islamitische Omroep te komen. De moslims zijn in Nederland te verdeeld: naar landen van herkomst en dan nog eens volgens de scheidslijnen die er in die landen al zijn: nationalistisch, orthodox, liberaal en nog meer. Toch was er in 1992 een islamitische omroep. Begin dat jaar was er een programma over en tegen het geloof in de 15e sja'ban. Sja'ban is de maand voorafgaand aan Ramadan.In de nacht van de 15e zou er geschud worden aan de geheimzinnige boom van Koran 53:14, Sidratul muntaha, op de grens tussen het woongebied van de mensen en dat van God en de engelen, het paradijs dus. Op die kolossale boom zouden de namen van alle mensen staan. Die boom zou in die nacht geschud worden en blaadjes die vallen duiden op de mensen die komend jaar gaan sterven. Dus wordt er stevig gebeden die nacht. De Koran spreekt alleen over een boom, niet over dat schudden. Modernistische moslims wijzen dat bijgeloof dus af en ook de NMO, Nederlandse Moslimomroep (of heette het toen toch anders). Frans Kalb laat het toch mooi schudden.

In no 127 zien we een artikel van Sajida Abdus Satar, een van de weinig moslims die in die tijd in het tijdschrift schreven. Zij schreef over bekering, en ging er van uit dat de islam net als het jodendom niet zo (agressief) missionair is als de christenen wel zijn. Zeker christenen worden gewaardeerd en mogen in  hun religie blijven. Daar kwamen twee tekeningen uit: derwisj-dansende moslims en op klompen Volendammer-achtige Nederlanders bijeen! Vindplaats: www.archiefbegripmoslimschristenen.
Onder de moslim auteurs was de meest actieve zeker Ester Struikmans met 15 bijdragen vanaf 2005.Sajidah Abdus Sattar verzorgde er 3. AlperAlasag schreef 4x; Abdulwahid vanBommel 2x, Bunjamin Düran (van de IURin Rotterdam) ook 2x, zo ook Caylan Pektas Weber. We zagen eenmaal Arslan Karagül, Farida van Bommel, Miriam Ates-Snijdewind en nog enkeleanderen. Een mooi groepje van moslims die goed en graag schreven.


zondag 11 juli 2021

De begrafenis of herleving van BEGRIP?

Begrip Moslims Christenen was een tijdschrift tussen 1974-2016. In principe kwam het vijfmaal per jaar uit, zo'n 40 bladzijden per keer. Het werd uitgegeven door de katholieke en protestante 'contactpersonen met moslims'. In feite was er een soort werkverdeling: protestanten organiseerden studiedagen of ontmoetingsdagen, katholieken runden het tijdschrift. Dat gebeurde vanuit de Stichting Cura Migratorum, aanvankelijk een ondersteunende organisatie voor Spaanse en Italiaanse katholieken, vanaf de jaren 1950-60. Toen die vervangen werden door Turken en Marokaanse gastarbeiders, werd de aandacht dus verlegd. Er was rond die tijd het Franstalige Comprendre en ook een Duits tijdschrift. Ze namen ook wel een en ander van elkaar over.

Begrip had een tekenaar, Frans Kalb, die lange tijd voor ieder nummer een vier of vijf tekeningen maakte. Dat heeft hij zeker zo'n 25 jaar gedaan. Er is ook wel eens het idee geopperd om er een tentoonstelling van te maken. Het begon al met de titelpagina van het tijdschrift, waar de naam Begrip in de stijl van het arabische schrift verscheen, met de impressie van een kerkraam en een moskeekoepel.

Het tijdschrift Begrip Moslims Christenen is verschenen van 1974-2016. Piet Reesink, die de langste tijd eindredacteur was (na oprichter Piet Backx), heeft met enkele assistentie alles gedigitaliseerd en het tijdschrift is nu toegankelijk via www.archiefbegripmoslimschristenen.jouwweb.nl . Ik wens het tijdschrift toe dat dit geen begraafplaats, maar een nieuw initiatief wordt dat inspirerend kan werken. Ik heb in ieder geval al met veel genoegen een aantal nummers doorgekeken, vooral natuurlijk uit de jaren dat ik zelf de hoofdredacteur was, 1992-2003. Een van de mooiste dingen vond ik wel die tekeningen van Frans Kalb, daarom hier alvast twee voorbeelden.

Een van de (strenge) moslims die er in de eerste jaren wel aan meewerkte was, de Palestijn Hamza Zaid. Hij zei me wel eens dat in die jaren van dramatische neergang van het kerkelijke leven in Nederland, de belangstelling voor moslims een middel was om van kerkelijke mensen weer wat aandacht te krijgen. Zowel de komst van Poolse en niet-westerse immigranten heeft naast de interreligieuze zaak inderdaad ook gediend om de aandacht voor godsdienst wat op te krikken.

Hierboven een tekening van Kalb uit no 152, (laatste van 2002) met de titel Kunnen gebouwen heilig zijn? Het gaat hier over de Julianakerk van Den Haag die door de Hervormden werd afgestoten. Moslims wilden wel kopen, de gemeente op een bepaald moment ook, terwijl de omwonenden ombouw tot een moskee helemaal niet zagen zitten.

Zelfs voor theologische ingewikkelde zaken wist Kalb wel iets luchtigs te vinden: hieronder een tekening naar aanleiding van de drie grote werken van Hans Küng over Jodendom, Christendom en Islam: alle drie hebben ze in de loop der tijden belangrijke veranderingen meegemaakt. Küng noemt dat paradigmawisselingen. Het zijn er zeven en bij alle drie religieslopen die ook nog een beetje parallel. Dat ziet er toch wat gekunsteld uit. In no 172 is dat door Kalb als hieronder afgebeeld.



woensdag 26 mei 2021

De Radicale Verlossing van Beatrice de Graaf

 In een stevig boek van 383 blz. geeft Beatrice de Graaf een beeld van de soms eigenaardige zoektocht van 23 jonge mensen die recent voor terrorisme zijn veroordeeld: 18 in Nederland en 5 in Indonesië. In het debat over religie (vooral Islam dus)  en terrorisme wijst zij op blz. 14 alvast twee posities af. De ene zegt dat dat Islam een godsdienst van vrede en harmonie is, zodat echte moslims zeker geen geweld of terrorisme willen plegen. De andere visie verwijt juist dat 'terrorisme wordt veroorzaakt door heilige geschriften; religieuze terroristen willen Gods wil met geweld afdwingen.' Deze meer theologische oordelen vermijdt ze omdat ze niet via de weg van het dogma, maar van de concrete levensgeschiedenissen van de terroristen tot een algemeen inzicht wil komen.

In de hoofdstukken 4-6 wordt de levensweg van de door haar geïnterviewde terroristen in drie fasen beschreven: 'Dromen van de woestijn' (ongelukkig met het eigen bestaan, burgerlijk,  vaak kleine criminelen geen idealen, maar nu ineens naar iets geweldigs op weg) - 'overgave en strijd' en tenslotte in vrijwel alle gevallen frustratie en teleurstelling. Sommige (ex-)terroristen zaten nog in de gevangenis, anderen kwamen weer terug in de maatschappij. Voor de lezer is het best verwarrend, dat de levensgeschiedenis van de 23 personen niet ineens wordt verteld, maar soms deels al in de inleiding, dan nog eens versnipperd over de drie hoofdstukken. Op zich zijn het allemaal herkenbare figuren, omdat de meesten actief waren in Syrië na 2010 en vooral in de IS tussen 2015-9.Een enkele Indonesiër had nog ervaring in Afghanistan, einde jaren 1980.

Verlossing of bevrijding is eerder een term die je in Putten verwacht, waar De Graaf vandaan komt, dan in de islamitische wereld, maar over het algemeen heeft de Graaf zich uitdrukkelijk niet in typisch islamitisch-dogmatisch idioom willen mengen.De sjariea als algemeen geldende leidraad voor een messianistisch soort maatschappij komt wel af en toe voor.

Aanvankelijk had De Graaf ook nog onderzoek willen doen naar al-Syabab in Kenia en Boko Haram in Nigeria, maar vanwege de corona-epidemie isdat er dusniet van gekomen. Daarover gaan bladzijden 214-223. Abubakar Shekau, enkele weken geleden  waarschijnlijk door een rivaliserend bende gedood, wordt er gangster-theoloog genoemd. 

Het boek is nuchter geschreven, feitelijk, bijna zakelijk en geeft wel aan hoe moeilijk het is om hier algemene patronen in te vinden.

dinsdag 18 mei 2021

Een kapel in het Maxima-park

 

 Sinds enige tijd is  het Maximapark in Leidsche Rijn onze geliefde wandelplek geworden. Nu Paule met een rollator loopt is het daar perfect: brede geasfalteerde wandelpaden, geen grote drukte. Gisteren kwamen wij voor het eerst sinds jaren weer bij de Wood Chapel, een van de bijzondere kunstwerken. Na voorbij een oud gereformeerd kerkje te zijn gelopen (nu een mooi woonhuis, dankzij aangebouwde extra woning erachter, zie 1e foto hieronder, Paule rechts), kom je dan bij die houten kapel.


De Wood Chapel is in principe een gefanteseerde loods voor houtopslag. In 2016 hebben hangjongeren inde daar liggende stapels een  fikje gestookt. Maar het ziet er toch weer mooi goed verzorgd uit.

Aan de binnenkant staat een gedicht. Nar enig zoeken bleek het van Rainer Maria Rilke te zijn, uit 1922.

Sonett
O das Neue, Freunde, ist nicht dies,
dass Maschinen uns die Hand verdrängen.
Lasst euch nicht beirrn von Übergängen,
bald wird schweigen, wer das "Neue" pries.

Denn das Ganze ist unendlich neuer,
als ein Kabel und ein hohes Haus.
Seht die Sterne sind ein altes Feuer,
und die neuern Feuer löschen aus.

Glaubt nicht, dass die längsten Transmissionen
schon des Künftigen Räder drehn.
Denn Aeonen reden mit Aeonen.

Mehr, als wir erfuhren, ist geschehen.
Und die Zukunft fasst das Allerfernste
rein in eins mit unserm innern Ernste.

Het lijkt me een gedicht tegen de waan van de tijd, tegen de gedachte dat alles nu pas fantastische en modern wordt. De eeuwenof eigenlijk nog veel langere tijden gaan al rond in het heelal. Ik vroeg me af hoeveel bezoekers zich de moeite geven om achter die tekst te komen. Trouwens, de rest van het plafond is nog veel mooier beschilderd!





zondag 16 mei 2021

Mohammed: Priester-Koning?

 

Marcel Hulspas studeerde sterrenkunde, werd wetenschapsjournalist en heeft de laatste vijf jaar vier boeken geschreven over de opkomst van de islam als opvolger van het in de versukkeling geraakte Romeins-Byzantijnse en het Perzische rijk. Over de opkomst schreef hij twee boeken van een 600 bladzijden. Daarna nog een over de moeite die moslims hebben om de oude leer op een moderne manier te presenteren. Nu is er sinds enkele maanden een soort samenvatting van zijn eerste boek over Mohammed en de komst van de Islam. De titel is wat compacter: Mohammed van profeet tot legerleider.  In nog geen 200 bladzijden is er een hele bibliografie. Niet zo persoonlijk als het kleine werk dat Kader Abdolah schreef over de profeet, maar wel zo handzaam. Als Kader Abdolah (De boodschapper) en zoveel anderen ziet hij een tweedeling: profeet die legerleider werd. De omslag vermeldt hem als: 'Een man die tegen zijn wil legerleider werd en die de grootste moeite had zijn volgelingen bijeen te houden maar desondanks  de wereldgeschiedenis een nieuwe wending gaf.' William Montgomery Watt gaf zijn grote biografie van Mohammed al de titel Muhammad, Prophet and Statesman, In 1880 schreef de 23-jarige Christiaan Snouck Hurgronje op de eerste pagina van zijn dissertatie dat Mohammed van Mekka naar Medina verhuisde en 'zijn profetenmantel' achterliet. In de uitgaven van de Koran worden de 114 soera's of hoofdstukken steeds aangegeven als 'Mekkaans' of 'Uit Medina'. In stijl zijn de twee anders: poëtisch, kort, krachtig in Mekka, uitvoeriger, prozaïsch soms krijgshaftig in Medina. Hoe kunnen die twee stijlen samen gebracht worden in de éne persoon van Mohammed?

De geschiedenis van Mohammed begint laat: pas op 40-jarige leeftijd heeft hij de eerste openbaring gekregen. Daarvoor is er het verhaal van een weeskind, opgevoed en beschermd door een oom, hulpje bij weiden van schapen en geiten, hulpje bij karavaanreizen, die hem tot in  Syrië brachten. Tijdens die reizen kwam hij christenen, ook  monniken, en Joden tegen. Hij had veel belangstelling voor de religieuze verhalen van die volkeren. Hij huwde met een rijke weduwe, bij wie hij ook nog enige kinderen kreeg (ze zou 40 jaar zijn geweest bij het huwelijk, maar dat getal mogen we globaal nemen). De echtgenote Chadidja had een neef die christen was en volgens Kader Abdolah kon zij in de verhalen van Joden en Christenen lezen: Ghadidje was indrukwekkend. Hij had een bepalend boek nodig. Ghadidje bood hem haar hanafietenbijbel aan. Hij had kamelen nodig. Zij gaf hem drieduizend kamelen en een paar honderd arbeiders in dienst. Mohammed was analfabeet, Ghadidje leerde hem lezen. Hulspas schrijft goed, maar niet zo vertellend als Abdolah.

Mohammed houdt er van om in afgelegen grotten te mediteren, krijgt dan goddelijke openbaringen, die aanvankelijk eerst hemzelf betreffen en het godsgeloof, maar al spoedig ook betrekking hebben op het stichten van een eigen Arabische geloofsgemeenschap, en de openbaringen die hij krijgt zijn Arabische versies van wat voor christenen het evangelie en voor Joden de Torah is. In 622, als Mohammed dus een vijftiger is, is er die ommekeer: met een kleine 200 volgelingen, de eerstelingen van de gemeenschap, gaat hij op uitnodiging naar Medina, waar enkele jaren eerder bloedige conflicten waren geweest tussen twee Arabische stammen onderlingen ook met de Joodse stammen die met de een of ander waren verbonden. Medina was zo'n dramatisch verziekte stad, dat Mohammed uitgenodigd wordt om er te komen wonen met 'zijn mensen', de gemeenschap, een kleine nieuwe stam of clan, verenigd rond dit nieuwe Arabische Godsgeloof. Die gemeenschap groeide tot Mohammed tien jaar later de 'priester-koning' van West Arabië was. Dat ging niet zonder strijd, verdedigen, aanvallen, zelfs moorden op dichters die heel dichten over Mohammed schreven. Dat is allemaal te lezen in de biografie van Ibn Ishak die 200 jaar na de dood van de profeet is geschreven. Maar ook de meest gewelddadige soera's van de koran spreken nog over dat geweldige gevoel van Gods leiding, besef van het mysterie van de opdracht die hij ooit kreeg. Dat zijn de soera's 8 en 9. Huidige Korankenners waarschuwen er voor om de Koran niet te lezen naar momenten uit het leven van Mohammed volgens Ibn Ishak (en Hulspas dus), maar dan krijgen we dus uiteindelijk wel die legerleider, die als zodanig niet in de Koran is te lezen. En het woord ben ik in de tekst van het boek van Hulspas niet tegengekomen. Daar wordt die verhuizing van Mekka naar Medina als een breuk gezien, verraad aan profeetschap en omarmen van een politieke kans. Een evenwichtige lezing van dichotomie Mekka-Medina roept de noodzaak om de twee bronnen Koran en Ibn Ishak in een meer harmonieuze eenheid te zien.




zaterdag 15 mei 2021

Kolonialisme als strijd tegen de islam

 

Academia.edu is een website die enkele  miljoenen academische artikelen aanbiedt. Het is gratis, al wordt van academici die er hun artikelen op plaatsen wel gevraagd om een jaarlijkse bijdrage. Het is een goudmijn, al moet je ook wel wat geluk hebben: er staat zoveel op dat het som wel lastig is het goede daar te pakken. Zij hebben ook de gewoonte om je artikelen aan te bevelen die bij je belangstelling passen. Afgelopen weken heb ik het boek gelezen van David Reybroeck, Revolusi. De Belgische ster-auteur schrijft hierover de absurde Nederlandse politiek van 1945-1949, toen geprobeerd werd om met een leger van 200.000 het oude Indië terug te veroveren. Dat lukte van geen kanten: de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging en vooral de charismatische Soekarno werden onderschat en de internationale politiek had genoeg van kolonialisme en bezettingen. Reybroeck schrijft verbaasd hoe compromissen die in Indonesië waren gesloten door Haagse politici in de prullemand werden gegooid. Koningin Wilhelmina en die politici van KVP en andere partijen waren nooit in 'hun Indië' geweest, maar wisten zeker dat men daar op ons zat te wachten!

Toen kreeg ik een artikel toegestuurd door academia.edu.Het was geschreven door Ton Kappelhof van het Huygens historisch centrum (in de Koninklijke Bibliotheek, bij het archief in Den Haag), 'The Dutch and radical Islam in 19th century Sumatra. The Padri War (1821-1837), the Aceh War (1873-1903) and their aftermath'. Ik vond het een rare titel. Bij Dutch was geen verdere verklaring. Dus niet zoiets als 'The colonial agression/expansion of the Dutch..' of iets in die trant. Moslems heetten in die tijd ook niet radikaal, wel fanatiek, of orthodox. Radikaal deed me meteen denken aan de 'war of terror' en dat kolonialisme daarom mooi is geweest omdat het toen ook al moslims bestreed. Dat klopte gelukkig niet. Kappelhof is bepaald geen Reybroeck. Maar zeker ook geen anti-koloniaal. Op p. 14 schrijft hij dat de Nederlanders het hooggelegen, rijke en vruchtbare berggebied van West Sumatra wilden onderwerpen: Since the Dutch claimed that Sumatra was within their sphere of influence. Dat hadden ze immers met de Engelsen afgesproken in London, 1820. Zo gaat dat in die eeuw van imperialisme. De andere partij werdniet geconsulteerd Het kwam hen ook nog goed uit, dat de bevolking van de laaggelegen rijstvelden het niet hadden op de koffie en thee plantende mensen van de berggebieden. Die waren rijk, sommigen waren zelfs naar Mekka op bedevaart gegaan en wat fanatieker als moslim teruggekomen. Ze waren als Arabieren gekleed in het wit en werden daarom naar het Portugese woord voor priester Padri genoemd. Het liep slecht met ze af: ze werden verslagen en ook die berglanden werden bij de groeiende kolonie ingelijfd.

Tuanku Imam Bondjol, verslagen door de Nederlanders, maar als verzetsheld geëerd door de moderne Indonesiërs.

Die strategie van tegen elkaar uitspelen van partijen in Indonesië werd ook toegepast in Atjeh, waar de wat steviger moslimgeleerden werden uitgespeeld tegen de koffie verbouwende lokale dorpshoofden en stamleiders. Voordeel was ook dat er in hun gebied juist olie was gevonden en het voeren van een dure oorlog dus de moeite waard was.

Het artikel van Kappelhof vergelijkt die twee oorlogen op een kundige en heldere wijze. Ik kreeg het artikel pas onlangs: het stamt uit november 2011. Is het pas onlangs op academia.edu gezet? Na het lezen van Reybroeck vond ik het wel erg 'koloniaal' geschreven, zonder de mechanismen en motieven van de koloniale expansie verder te beschrijven. Misschien kan Reybroeck ook nog eens verder teruggaan in de tijd. Ewald Vanvugt schreef een boek Roofstaat: dat leest af en toe wel wat erg sensationeel en eenzijdig, maar voor de vroegere koloniale tijd is er dus ook al wel een Nederlands voorbeeld.



maandag 26 april 2021

Paulus in de Janskerk

 De Utrechtse Janskerk was ooit een oecumenische studentenkerk. Die traditie is nog wel voortgezet, ook nadat Kardinaal Eijk de oecumenische samenwerking heeft ontbonden. Voor de zondagsdiensten wordt geen traditioneel of oecumenisch schema gevolgd van lezingen.Er wordt gewerkt met cycli van 4-6-8 diensten die per zondag dus weer via een thema worden gespecificeerd. Op dit moment zitten we in de cyclus van Pasen: (de verrijzenis van) het lichaam. Zes zondagen zijn er in deze cyclus. Bij drie ervan wordt een deel van brieven van Paulus aan de Korinthiërs gelezen. Eén heeft lezing uit de brief aan de andere grote Griekse stad waar Paulus het langst zijn versie van het christendom preekte. Iemand schrijft een voorstel voor een cyclus, vaak zo'n 6 bladzijden creatieve nieuwe geloofsformuleringen. Per zondag is er een voorbereidingsgroep die daarmee verder moet gaan. De huidige cyclus heeft verschillende namen gekregen, naargelang de ontwikkeling van de gedachten over het thema: "Opstaan; geloven met je lijf: jij bent niet die we dachten." Voor afgelopen zondag werd de naam van de cyclus "Dit is mijn lichaam." en het thema voor de zondag "Tabernakel in mijn lichaam, nu en eeuwig".

Voor zondag 25 april kwam de voorbereidingsgroep van vijf mensen bij elkaar via zoom. Daar kwamen allereerst twee prachtige ideeën uit: Hans Malschaert, echtgenoot van voorganger Thea Peereboom, zou tijdens de dienst schilderen, een uitwerking van het thema van de lezing uit 2 Kor. 4:18-5:8. Verder werd bij de vredeswens een Powerpoint getoond met 53 foto's die Janskerkleden daarvoor hadden opgestuurd, zodat ook in corona-tijd  iets van een wederkerige vredeswens kon worden gerealiseerd.

Schilder Hans Malschaert had voorwerk gedaan: een impressie van het koor van de Janskerk in Siëna, de oranje-achtige kleur die zijn voorkeur heeft. In dat gebouw zijn tijdens de dienst dan twee soorten wezens gekomen: vrijgevochten vliegende figuren tegenover de drie  wat treurig zittende personen onderaan. Is dat een verwijzing naar de bevrijde tegenover de nog-niet-verloste status?

Bij de lezing uit 2 Kor. stuitte predikante Peereboom op problemen: het eerste vers ruikt wel erg naar een anti-materialistische ideeënleer in de trant van Plato. Onze blik is niet gericht op het zichtbare, maar op het onzichtbare. Want het zichtbare is maar tijdelijk, het onzichtbare is eeuwig. Dit gaat zo door tot het einde: We zijn vol moed en zouden liever uit het lichaam wegtrekken en bij de Heer intrekken. Maar daartussen komt dan nog het beeld van het Tabernakel: God die in menselijke bouwsels woont en het lichaam wordt ook met een tabernakeltent vergeleken. Dan komen we dus bij de neo-platoonse, mystieke gnosis die ook in de materiële wereld een spirituele dimensie ontdekt, zoals in het lied staat, dat dooreen van de voorbereiders was meegeschreven:

Vonkje van hoopdiep in mij

lieve God, wakker het aan tot een vlam van vertrouwen,

dat wij gaan in vurige liefde.

Vonken die overslaan.

Aanvulling: een week later was er weer een dienst rond Paulus en de Korinthiërs, nu over het 15e hoofdstuk uit de eerste brief. Dat gaat over de overgang van een sterfelijk naar een onsterfelijk, geestelijk lichaam. Predikant en bijbelkundige Joop Smits wees ook hier het verschil/onderscheid tussen ziel-lichaam af als onjoods: voor de joodse lezer is het lichaam een ondeelbare entiteit van vlees en boed en adem-geest.Maar hij ging niet echt in op dat visioen van Paulus dat er over afzienbare tijd een bazuin zou klinken waarbij dan zowel de alsdan levenden én de overledenen veranderd worden in onvergankelijke mensen. Hij liet dat zingen met de aria uit de Messiah van Händel: I tell you a mystery, the trumpet shall sound and we shall be changed, incorruptably ...

Toen dacht ik weer aan dat schilderij van Hans Malschaert. Waren die twee vliegende mensen levenden geweest die als eersten overal naar toe konden vliegen, terwijl die drie beneden langzaam aan hun nieuwe kleding en nieuwe status kondengaan wennen?

Maar je kunt je bij het schilderij nog iets anders indenken. De Janskerk was in de bisschopstijd,van ca 1150 tot 1579 een gebedsruimte voor kanunniken, die er dagelijks zeven keer moesten bidden. Nu komen er lezingen, bruiloften, openingen van scholen én vrijzinnige kerkdiensten. Een enkele keer zingen we daarom wel Gregoriaans voor de zielen van die oude kanunniken (zoals we enige jaren geleden deden met de Lauden van Goede Vrijdag), maar meestal vliegen we vrij rond met onze gedachten. Is dit dus een schilderij over de eeuwenlange verandering van mensen in de Janskerk?

maandag 1 februari 2021

Maria Lichtmis in de Janskerk en de bedoeling van oecumene

 Zondag 31 Januari was er een katholieke mis in de Janskerk in Utrecht, met de Augustijner priester Dr. Joop Smit als celebrant. Geen volk in de kerk buiten musici en enkele medevoorbereiders. Alleen kijken via internet dus. Dat deden wij ook.

Als thema was Maria gekozen in de cyclus iconen. Vanwege de datum van 2 februari ('Maria Lichtmis') werd gelezen uit Lucas 2:22-40, bezoek aan de tempel door Jozef en Maria, offer van duiven, 'reiniging' van Maria. Mijn moeder werd altijd boos als zij het er over had: bevalling is toch natuurlijk daar hoef je niet geestelijk van gezuiverd te worden. Marjan Geurtsen schreef er een dissertatie over (naar aanleiding van Syrische liturgie rond 200-300). Maar dit was een thema dat niet aan bod kwam. Evenmin de oude Simeon die zijn levensvulling gezien heeft in de ontmoeting met de jonge Jezus (vandaar de cantates Ich habe genug ...  Schlümmert ein..).

Joop Smit begon met een analyse vande Maria-icoon en de wereld van the Godsmoeder, theotokos, op het concilie van Efese, 430, dus 21 jaar voor de twee-naturenleer voor Jezus, tot dogma verklaard. Joop Smit houdt er niet van om verjaarde en niet meer bruikbare termen nog eens af te serveren. Wel besprak hij uitvoerig de wereld die verbonden is met die idee van Maria 'als de zachte kant van God': dat is een internationale breed levende traditie in het christendom. In het Lucas-evangelie zien we een heel andere Maria en Jozef: als wetsgetrouwe joden. Dat blijkt ook uit de woorden die Simeon gebruikt voor Jezus: licht van de volken, glorie van Israël. Dat zijn messiaanse termen uit Jesaja.

De twee 'Maria-tradities' (er zijn er nog veel meer), zag Joop als twee bloedgroepen, die hij hier graag bij elkaar wilde brengen. Dat heet oecumene, waarvan de Janskerk al 50 jaar een groot voorstander is. Die oorspronkelijke bloedgroepen waren wel de protestante en de katholieke, maar dat heeft zich verder ontwikkeld. Wetende dat je niet de ultieme verklaring van spirituele waarden kunt geven, dien je ruimte te geven aan andere bloedgroepen.

Dat is toch een wat andere invulling van oecumene dan wat ik zag bij Anton Houtepen en zijn contacten met de Wereldraad van Kerken en ook wel de katholieken van het secretariaat voor oecumene. Daar was het einddoel dubbel: enerzijds het tot stand brengen van een zichtbare en institutionele eenheid van alle christenen. Daarnaast toch ook een 'aanpassing van religieuze denken aan de moderne tijd'. Binnen die ambitieuze oecumene kwamen de orthodoxe kerken helemaal niet tot hun recht. Zij zijn binnen de Wereldraad eigenlijk nooit voor vol aangezien als een andere bloedgroep, met volwaardig bloed.

Maar het klonk allemaal wel lieflijk: bij moslims kan zo'n idee van Maria als Moeder Gods helemaal niet: daar is in de Koran al zo vaak en stevig tegen gesproken dat een taboewoord is geworden. Soms moet er dus toch wel rekening gehouden worden met gevoeligheden van andere bloedgroepen en moeten verouderde termen ook wel eens harder worden aangepakt. Kort na Efese 430 wilden de Nestorianen er toch ook al niet aan. Dat deze context niet aan bod kwam, geeft wel aan dat het met die grotere oecumene, buiten de grenzen van christendom toch nog niet zo heel veel is geworden.



dinsdag 26 januari 2021

Kardinaal Willebrands achteraf bekeken

Kardinaal Willebrands (1909-2006) heeft een biografie gekregen, geschreven door Karim Schelkens, docent inTilburg University. Bij zo'n gebeurtenis hoort een presentatie voor publiek en de was er ook, afgelopen zondag, 24 jan. 2021. Lokatie zou zijn in Den Haag, maar nu werd het een webinar, waarbij de lokatie er niet toe deed. Het was de eerste keer in 10 maanden dat ik er in geslaagd ben om zo'n programma via zoom goed te kunnen volgen. Er waren steeds zo'n 175 deelnemers aanwezig: mooi aantal op een zondagmiddag om 14.00 uur. 

 

Aanvankelijk had ik niet in de gaten dat ik op video-aan moet drukken om ook mijn plaatje erbij te krijgen. Het was wel leuk om zo ruim tien oud-collega's en bekenden te zien die ik al lang niet meer fysiek was tegengekomen: Ed Kimman, Eric Sengers, Henk Witte, Gerard van 't Spijker, bisschop Gerard de Korte en zo verder. Bert Groen was er (nog steeds, ook na emeritaat) vanuit Oostenrijk. Er waren na een inleiding door auteur Karim Schelkens nog vijf sprekers die ieder 10 minuten kregen. Discussie was er niet echt, al werden er via de chat-functie wel wat vragen gesteld. Brian Heffermans sprak over WB als 'zielzorger': dat was hij, maar wel gereserveerd. Zijn contacten met Cornelia de Vogel (de briefwisseling is bewaard gebleven) waren nogal kalm en afstandelijk, terwijl De Vogel honderduit en zeer open schreef. De Memoires van Bluyssen schijnen ook zeer open karakteriseringen van de omstandigheden te geven.

Hij was een ietwat deftige, zakelijke persoon, die ook afstand hield van politiek en zich tot het strikt-religieuze wilde beperken. De eenheid van een volk en een religie bij het jodendom en vooral de staat Israël vond hij erg ingewikkeld. Overigens: ook Alfrink en Van der Ploeg hadden liefde voor de bedoeïenen, maar niet voor de nieuwe staat der joden! In 1937 (28 jaar oud pas!) was hij in Rome in kerkgeschiedenis gepromoveerd op Henry Newman. Ook een geleerde gentleman. 'Kijk eens naar zijn keurige schoenen!' Toen de Wereldraad van Kerken na 1970 nogal de sociaal-economische kant opging, kon hij er niet veel mee doen. Hij kwam in Rome als secretaris voor de eenheid in 1960 en beter had hij het niet kunnen treffen. De tijden waren klaar voor verandering. Vooral met de orthodoxen van het oude Constantinopel kon hij goede relaties opbouwen en uiteindelijk werd de wederzijdse banvloek van 1054 kort na het concilie van 1962-5 ook ingetrokken. Ook met de Anglikanen gingen de relaties de goede kant uit. Iemand vroeg zich zelfs af of in 1967 de eenheid al echt hersteld had kunnen worden?

In 1975 benoemde Paulus VI hem tot aartsbisschop van Utrecht (nadat door benoemingen van Simonis en Gijsen), maar zijn werk in Rome ging gewoon door, al werden er daar geen echte stappen vooruit meer gezet, die tijd was al voorbij. In Nederland kon hij de verzoening niet brengen. In de 8 jaar van zijn bewind (tot 1983) heeft hij ook niemand tot priester kunnen wijden: de splitsing van conservatief  en vooruitstrevenden had al toegeslagen. Op het graf van de Nederlandse paus Adrianus VI in Rome staat die onheilspellende spreuk: hij was in de verkeerde tijd op het mooie ambt gekomen. Zo erg was het met Willebrands zeker niet: de jaren 1960 waren fantastisch!


maandag 25 januari 2021

De Koran lezen met Michel Cuypers: sura 5, Het Banket, Al-Ma'ida

In de jaren 1990 was ik eindredacteur van het tijdschrift Begrip: Moslims-Christenen. Daar heb ik toe een rubriek ingevoerd, 'Het Islamitisch-Christelijke Leerhuis' als een manier om de Koran te lezen, naast Bijbelse fragmenten. In 1998  kwam uit die aandacht ook een eerste boek over een Koranthema: Adam Redivivus. De titel wil zeggen dat Adam als het ware opnieuw gecreëerd wordt in de Koran, anders dan in de christelijke traditie. Zonder erfzonde. In dat boek gaf ik ook extra aandacht aan de verhaalcultuur van Indonesische moslims, die volgens mijn leraar Javaans, Pak Amin Soedoro, 'geen rem hebben op hun fantasie': de slang van het paradijs is maar één van de transformaties van de duivel.Hij moet zeven poorten zien binnen te komen en wordt ook een maiskorrel, opgegeten door een kip die over de muur kan vliegen. Wordt een knappe vrouw, die de volgende poortwachter kan verleiden enz. enz. Het tweede  Koranboek kwam in 2002 en heette De Korte Hoofdstukken van de Koran (de laatste 37 sura's). In 2006 volgde het boek over De Jezusverzen in de Koran, tenslotte in 2011 een commentaar op de langste, sura 2. Het boek over de Jezusverzen verscheen in 2011 in een Engelse vertaling van Simon Rae (New Delhi en Hyderabad) en in een Indonesische vertaling in 2015.

Sinds enige tijd loop ik met de gedachte voor een nieuwe en bijgewerkte versie van de Korte Hoofdstukken. De Franse 'petit frère de Charles de Foucault', Michel Cuypers,lange tijd werkzaam in Iran, nu in Cairo, publiceerde een boek over de 33 laatste sura's van de Koran als een 'Koranische Eschatologie'. In afwachting van dat inmiddels bestelde boek, lees ik nu het eerdere boek datCuypers schreef over zijn specifieke methode van Koran-uitleg, Le Banquet, over de 5e sura.

De Koran is verdeeld in 114 sura's, die weer in verzen zijn verdeeld. Bij zijn exegese legt Cuypers de nadruk op het lezen van een sura als een geheel zelfstandig literair product. Maar binnen de eenheid van de sura zijn er weer aparte onderdelen die we als eigenstandige eenheden moeten zien. De lange sura 5 (120 verzen) ziet Cuypers in lijn met de algemene traditie als de laatste in ontstaan, de afsluitende dus. De positie van de 'nieuwe religie', de Islam, wordt hier beschreven in contrast met de twee belangrijke concurrenten, Joden en Christenen. Dit geheel wordt verdeeld in twee gedeeltes, die ook weer in onderdelen worden bekeken, respectievelijk 5 en 3.  Die krijgen allemaal titels en die worden minutieus geformuleerd en uitgelegd. Er gebeurt nog veel meer, maar voorlopig vind ik het meest boeiend om die titels precies te bekijken. Kernbegrip voor de hele sura is de verwezenlijking van het verbond tussen God en mens.

A. 5:1-71: Moslims, Joden en Christenen tegenover het verbond

A1 (5:1-11) Het verbond komt tot volheid in de Islam

A2 (5:12-26) Joden en Christenen weigeren om toe te treden tot het Verbond

A3 (5:27-40) Straf voor de rebellerende kinderen van Israël

A4 (5:41-50) Gezag/autoriteit van de Profeet over Joden en Christenen

A5 (5:51-71) De status van Moslims en de Mensen van het boek

B: 5:72-120 De roeping van christenen om tot het Verbond toe te treden

B1 (5:72-86) De Christenen worden opgeroepen tot bekering

B2 (5:87-108) Een grondwet voor de gemeenschap van gelovigen

B3 (5:109-120) De belijdenis van het monotheïstisch geloof door Jezus en de apostelen

Cuypers  gaat er, net als de Indiase geleerde Islahi en Mustansir Mir van uit dat de sura het meest wezenlijke onderdeel van de Koran is, zo'n beetje als de evangelies, de Paulusbrieven e. d. als aparte geschriften tezamen het Nieuwe Testament vormen. Maar toegepast op sura 5: daar komt de term Verbond voor mij toch niet meteen als kernbegrip naar voren. Niet zoiets als Verlossing of Bevrijding: meteen vanaf het begin komen ereen aantal spijsvoorschriften voor. In vers 6 de rituele reiniging of wudu'. In vers8 over status van getuigen. De waardering van Joden en Christenen is nogal wisselend: het beroemde en veel geciteerde vers 5:48 (God had de mensheid absoluut één en homogeen kunnen laten zijn, maar heeft gewild dat er meerdere volkeren en stromingen zijn) met de uitspraak fastabiqu bi a'-khairat of  'ga met elkaar een wedstrijd om het goede aan', lijkt te wijzen op het feit dat er bij iedereen wel wat goeds is.

Binnen een bepaalde episode weet Cuypers dan toch ook vaak op indringende wijze zijn methode om zo'n fragment als eenheid te zien stevig te beargumenteren: B1 geeft in verzen 72-86 eerst de fouten van de christenen (72-77, met als centrum van dit onderdeel vers 74: dat de bekering centraal staat); dan 78-86 de fouten van de Joden en de bekeerde christenen worden hier juist heprezen, met weer als eigen centrum vers 82 dat de Joden het allerslechtste zijn en de (bekeerde) christenen heel goed. Het blijft een met vuur en overtuiging geschreven boek, waar je niet zo gemakkelijk in mee kunt gaan.


zondag 3 januari 2021

1001 nachten volgens Kader Abdolah

Vanwege de corona-tijd en vooral de twee ziektes in ons huis (Karel met prostaatkanker, uitgezaaid en wel; Paule met Parkinson) was het allemaal geen perfecte voorbereiding en setting voor een 'vrolijke kerst' en daarom bestelde ik op 24 december het nieuwste boek van Kader Abdolah, 1001  Nacht: een hervertelling. Het was er de volgende dag al. Kennelijk werkten de mensen van Broese  toen hun winkel gesloten was ook in de buitendienst.

Van Kerst tot Nieuwjaar heb ik genoten van de vele verhalen, waartussen Abdolah ook een groot aantal persoonlijke beschouwingen en historische weetjes over de lange geschiedenis van deze verhalen heeft neergeschreven. Van de vele verhalen heeft Abdolah er 10 series uitgehaald en die weer in kleine stukken weergegeven. Zoals ook in de dierenfabels weergegeven in Kélilé en Demné (uit 2002,toen Abdolah pas 14 jaar in Nederland was), zijn de verhalen tot op het bot ingekort, helder weergegeven en zijn de stukken die we opgediend krijgen hooguit 2-3 tot zes bladzijden lang. De lawine van vertellers die binnen elkaars verhalen te werk gaan, wordt helder weergegeven. Anders dan de dierenfabels uit 2002, gaat het in 1001 Nacht vooral over onderhoudende verhalen van ongeluk, pech en stinkend geluk. De vrouwen spelen de hoofdrol, zijn nemen de mannen beet, leiden ze naar het bed en houden de hoofdrol. Abdolah houdt er van overzicht en kort te schrijven: van de versie in zeven delen van vertaler Richard van Leeuwen, waar ook nogal stevige sex in voorkwam, heeft hij een enkele bladzijde overgenomen, maar hij laat ook zien dat iedere tijd zijn eigen eisen stelde. De Franse orientalist Antoine Galland schijnt kort na 1700 een eerste versie in een tiental delen vertaald te hebben, waarna het alsmaar doorging. Vooral de Arabische versies zijn vol met avonturen en erotiek, dat doen de Perzen bescheidener. Dit geeft Abdolah op veel bladzijden dan weer gelegenheid om uitvoerig in te gaan op de rivaliteit tussen de Perzen: de twee volken houden niet van elkaar en de culturen passen ook niet bij elkaar. Toch heeft het Arabisch van de Koran stand gehouden, maar is beperkt gebleven tot de tekst van het heilige boek. Het Perzisch wordt ook wel in )aangepast) Arabisch geschreven, maar taal en cultuur zijn onderscheiden gebleven en die kloof wordt door Abdolah nog stevig gecultiveerd ook.

Al zoekend naar andere versies, kwam ik op internet ook een 'volledige vertaling' naar 1001 nachten tegen, gemaakt door een zekere Ali Soelaimani en een heel team van Nederlanders, die te vinden is op ww.talenkennis.com/100nacht. Daar staan ook een aantal gedichten in, naast de realistische sex een andere liefhebberij die sommige herschrijvers  uitvoerig hebben gebruikt.

De originele Abdolah kwam ik tegen in de tiende vertelling, waar 451-3 eerst vertellen van de bouw van een 'waterconferentie',  een soort aquaduct van Bagdad tot Mekka, gebouwd onder leiding van een boete doenende weduwe van Harun al-Rasjid. De tweeling die op bedevaart gaat zijn kleinkinderen van de koning van Bagdad Malak Neyman en de keizer van Constantinopel. Als zij in Mekka komen klinkt voor het eerst een stuk Koran, de eerste soera: in de vertaling zoals die al in 2008 is uitgekomen. Maar Abdolah zou zijn aard verloochenen als hij niet een kleine wijziging had aangebracht. Er staat nu niet meer  Wij bidden tot U.. maar  Ik bid tot U ik ik vraag alleen Uw hulp, leid  me op het juiste pad. Zoiets komt in het frivole taalgebruik van de 1001 nacht niet voor. Na Mekka gaat de tweeling naar Medina en komen ze zelfs in Urshalim (=Jerusalem) terecht, voordat ze toch weer in Bagdad komen en verhinderen dat er een oorlog tussen Byzantium en het Arabische Rijk komt, want: de 1000 Nacht zijn hier een smeltpunt van creativiteit en ontmoeting tussen de oude rijken van oost en west geworden. Zo lieftallig kan het dus ook aflopen!